13 februari; Punda Maria (Kruger NP) – Alldays, 398 km gereden

Vandaag zijn we weer op tijd vertrokken – de laatste dagen zijn we vaak vanzelf vroeg op, rond 7 of zelfs 6 uur – en ons plan was vandaag om het park op ons gemak te verlaten en zo ver mogelijk richting de grens met Botswana te rijden. We hebben in Kruger nog een paar hele mooie wegen genomen, waaronder een omrit van zo’n 10 kilometer waar het landschap een schitterend, heuvelachtig, bebost gebied naast een rivier was. Daar waren honderden vlinders, een kudde van een impalasoort die we nog niet gezien hadden, prachtige vogels, honderden ooievaars en heel veel apen. Maar ook zagen we weer duikers voor ons uit over de weg rennen, en schrokken we van een buffel die vlak voor ons op de weg stond te grazen en van ons schrok toen we aankwamen!


Op een brug over een wat grotere rivier mochten we er even uit – tussen de gele strepen op het wegdek blijven, dan kon je eventueel wild (hopelijk) op tijd aan zien komen – en ging Hans een grote bok fotograferen in de verte. Terwijl ik rondkeek (op zoek naar beesten, liefst krokodillen in de rivier), zag ik een grote baviaan in de verte onze kant op slenteren over de weg. Niets aan de hand, totdat hij ging rennen – toen zijn we toch maar weer dicht bij onze auto gaan staan, want je weet maar nooit… Uiteindelijk sprong hij op het hek van de brug en ging daar naar ons kijken, en zijn we toch maar weer in de auto gestapt want zijn maten kwamen er ook aan…


Eenmaal buiten het kamp moesten we weer een beetje wennen aan het feit dat er niet constant de mogelijkheid is dat er dieren op of naast de weg staan… In ieder geval, los van geiten, koeien, honden, ezels en schapen natuurlijk. Omdat het lekker doorreed besloten we te kijken of we een overnachtingsplek in de buurt van de grens zouden kunnen vinden, dus richtte we onszelf op Alldays, een gehuchtje dichtbij de Platjan grensovergang. Dan zouden we de volgende dag maar zo’n 40 kilometer hoeven te rijden tot de grens en ruim de tijd hebben voor eventuele moeilijkheden zoals lang wachten, of, zoals best wel goed mogelijk was deze tijd van het jaar, een volgende grensovergang moeten zoeken omdat de rivier te hoog stond… Platjan is namelijk een “low bridge” grensovergang over de Limpopo rivier, waarbij er dus geen brug is en je echt zelf door de rivier moet rijden. Er was dus kans dat, omdat het nu het regenseizoen is, de rivier niet begaanbaar zou zijn.


Onderweg zijn we in een stadje gestopt om boodschappen te doen, te lunchen – een lekkere kippenpastei van de bakker in de plaatselijke supermarkt – en om geld te wisselen; want we hadden Botswaanse Pula’s nodig om de grens over te komen en dit was de laatste grotere plaats voor we de grens bereikten. Nou bleek dat makkelijker gezegd dan gedaan, want men wisselde hier wel Pula’s naar Randen, maar andersom niet – zelfs niet als de bank aangaf een ‘bureau de change’ te zijn! Uiteindelijk vonden we een bureau de change die ook Rand naar Pula wisselde, en na het nodige formulierenwerk ingeleverd te hebben inclusief een kopie van Hans’ paspoort, ons adres en een bonnetje om te bewijzen dat we de Randen op legale wijze uit de muur gehaald hadden, kregen we eindelijk Pula’s. Tijdens het wachten kregen we trouwens ieder een blikje Cola aangeboden, wat een klantenservice!


De wegen in Zuid-Afrika zijn over het algemeen goed aangeven – behalve in dit plaatsje. Onze weg, en de plaatsen in de richting waar we heen moesten, stonden niet aangegeven op de borden bij de (enigste) grote T-splitsing. Mijn kaart gaf aan dat we rechtdoor moesten, maar ja, het was dus in de praktijk geen kruising, maar een T-splitsing. Alleen de grens van Zimbabwe werd aangegeven naar rechts, en Pietersburg naar links. Tja, 50% kans dat je de goede richting kiest dus. Dus wij rechtsaf, wat mij de meest logische oplossing leek. Maar na zo’n 4-5 kilometer nog niets aangegeven behalve Zimbabwe, en daar waren we toch echt niet van plan deze reis naar toe te gaan! Dus rechtsomkeert en dan maar de andere kant op, maar ook daar werd lange tijd niets aangegeven. Dus toch maar weer richting stadje, wat moet je anders doen? Bij een soort toeristen informatiepunt ben ik gaan vragen welke kant we nu op moesten, en de officier hartelijk lachen want als we nu nog 1 kilometer verder richting Zimbabwe hadden gereden hadden we toch duidelijk het bord richting Alldays gezien! Logisch toch?…


In Alldays aangekomen konden we niets vinden dat op een overnachtingplaats leek, dus terwijl Hans aan het tanken was ben ik gaan rondvragen; we werden gestuurd naar de lokale (blanke) kroeg net buiten het dorpje die tevens een paar blokhutten verhuurde die, volgens zeggen, de beste van Alldays was en de goedkoopste. Hij was inderdaad goedkoop, en we konden er ook eten als we wilde – steak of T-bone…


Onze blokhut moest eerst nog in order gebracht worden, dus we hebben een drankje aan de bar genomen en een beetje gekletst met de uitbaatster en een klant. Hans en ik hadden al gauw door dat we toch niet helemaal op dezelfde politieke en sociale lijn zaten als deze mensen. In andere woorden, we waren hier bij de Zuid-Afrikaanse versie van Amerikaanse rednecks terechtgekomen. Je merkt wel dat er hier vaak nog een hele duidelijke scheiding tussen zwart en wit is – in ieder geval de blanke Zuid-Afrikaan gedraagt zich vaak nog zo. Zwarte Zuid-Afrikanen zijn dan ook om te beginnen voorzichtig tegenover ons, maar als blijkt dat we Europese toeristen zijn en ze aanspreken dan ontspannen ze bijna altijd. We hadden nou in die kroeg in ieder geval de goede buitenkant (blank) en achtergrond (Nederlands), dus we hielden het gesprek maar zo veel mogelijk op neutrale dingen…


Alles hier was heel erg rustiek, solide hout – de kroeg en de blokhutten waren van dikke boomstammen gemaakt, en onze blokhut was eigenlijk best groot, zelfs met een soort van keukentje. Helaas geen koelkast, maar de koelbox van onze auto doet het fantastisch dus dat was geen echte ramp. Verder ook geen douchekop, alleen een bad, en maar een lamp die het deed… ’S-avonds zijn we op het terrasje buiten de kroeg onze steak met frietjes gaan eten. Tenminste, er moest eerst nog door iemand naar het stadje gescheurd worden want er waren geen inkopen gedaan, dus we hebben eerst nog een uur gewacht – ik had uiteindelijk een ‘ladysteak’ die al groter is dan een ‘mannensteak’ in Nederland, ga dus maar na hoe groot de ‘mannensteak’ van Hans was… Ik denk dat dit voor het eerst was dat Hans een steak niet opkon!


Terug op de kamer, terwijl we ons klaarmaakten om naar bed te gaan, ging het donderen en bliksemen en storten van de regen. Bleek gelijk dat de regen onder de voordeur zo de blokhut in stroomde; maar gelukkig was de vloer van de blokhut zo lek als een mandje dus verder dan een meter stroomde het niet naar binnen. Toch hebben we maar alles op het extra bed en op de bar gezet, want je weet maar nooit tenslotte. Door de regenbui viel de stroom uit, maar de noodgenerator sprong gelukkig gelijk aan – erger vond ik dat, toen de regen eenmaal minder werd, het opeens leek alsof er honderd ratten over de vloer renden! Het was zo erg dat ik Hans wakker maakte en we wel een kwartier lang ieder hoekje hebben afgespeurd met de zaklamp voordat we ervan overtuigd waren dat het echt een of ander knaagdier buiten moest zijn, op het dak. Toch een akelig idee, het klonk echt alsof ze binnen waren!


free counters