Zondag 15 mei: Pandamatenga – Hwange National Park (Robin’s Camp): 100 km

Het was vannacht IJZIG koud! Zo warm als het gisteren was, zo koud was het vannacht...We hadden al een T-shirt aangehouden maar we hebben liggen rillen van de kou. We konden nauwelijks slapen en werden regelmatig wakker van de kou. En dan is het moeilijk opstaan ‘s ochtends, als alles buiten je slaapzak (die nog enigszins warmte geeft) koud en klam is... Brrrr! Gauw aankleden, alles opruimen en inpakken (de tenten worden voor ons afgebroken door Bhejane) en dan naar het kampvuur voor thee en “rusk”, een soort keiharde brokken zoetig zwaar broodachtige koek dat je alleen kunt eten door het in je drinken te dopen. Soms zitten er rozijntjes in of is het met volkorenmeel gemaakt, en soms zijn ze wat zoeter en soms smakeloos, maar ze zijn hier erg populair, vooral voor een gauw ontbijtje. Toen iedereen wakker was werden er eitjes gebakken voor een wat substantiëler ontbijt, aangezien Frank niet wist hoe lang het zou duren voordat we konden lunchen – afhankelijk van de grensformaliteiten zou dat weleens heel laat worden.

Tijdens het ontbijt kregen we een laatste briefing over de grensformaliteiten, en algemene gedragsregels voor in Zimbabwe. Die waren niet misselijk! We moesten te allen tijde vriendelijk, glimlachend, geduldig en meegaand zijn aan de grens en andere officiële instellingen zoals wegversperringen, vragen stellen als we het niet wisten en ontzettend goed opletten dat je alles goed invult en aangeeft. En in het algemeen, aan de grens of zelfs gewoon in het land, nooit maar dan ook nooit een foto maken van een gebouw of een persoon in uniform, van een officiële instantie, eigenlijk van niets dat door of voor mensen gemaakt is. Je moet ook tegen iedereen die je tegenkomt beleefd zijn en ze behandelen als een ambtenaar, want zelfs de vieste, armste bedelaar kan hier namelijk het hoofd van de politie zijn of iets dergelijks... Ze zijn namelijk blijkbaar te arm om allemaal uniformen te hebben en hebben een enorme undercoverpolitiemacht. Je mag zelfs geen foto’s maken van officiële instanties als je het vraagt, want dan word je vaak genept: je vraagt het aan de ene, hij zegt ja, en als je de foto maakt komt zijn maatje de hoek om, om te vragen wat je aan het doen bent (en geld te eisen of lastig te doen). We moesten bij de grens ook individueel erdoor heen gaan en vooral niet zeggen dat we deel van een georganiseerde tocht waren, want dan zou de Bhejane-auto en aanhangwagen volledig binnenstebuitenste gekeerd worden en al het eten in beslag genomen. Bhejane zou sowieso hoe dan ook al T-shirts uit moeten delen om bij de Zimbabwaanse grens met rust gelaten te worden...

Botswana uitgaan was geen enkel probleem, en ging vloeiend. Toen moesten we door het niemandsland naar de Zimbabwaanse kant. Frank had verteld dat bij de grens het asfalt van Botswana zou stoppen; dat bleek niet overdreven te zijn want echt letterlijk op de grens, midden in het niemandsland, stopte het asfalt! De tot nu toe keurige asfaltweg werd een grasweggetje, naar een kleine omheining met wat gebouwtjes, wat zwarte mannen die rondliepen, de slagboom, en daarachter bush. Iedereen ging het hoofdgebouwtje in en deed braaf alles invullen wat we in moesten vullen en alles betalen... De visa, de “carbontax” (in feite de Robert Mugabe belasting), een motortax en een roadpermit. Al met al zo’n 80 euro, de visa alleen in dollars te betalen.

Het papierwerk was allemaal geen probleem (je moet alleen twee keer alle gegevens van de auto invullen inclusief chassisnummer), maar toen moesten we weer naar buiten, nogmaals alle gegevens van de auto invullen, en toen werd de auto doorzocht. En dat was behoorlijk grondig, we waren verbaasd want iedere auto werd uitgebreid doorzocht! Ze zochten met name wapens, blijkbaar. Naderhand vertelde Frank dat een tegemoetkomende Zuid-Afrikaanse auto zich aan de grens vreselijk misdragen had, klagend over het land en de mensen, en dat had de douanebeambten tegen de haren ingestreken. Maar nadat ze dus behoorlijk streng waren geweest tegen ons en eigenlijk alleen vriendelijke, meegaande reacties hadden gehad en iedereen alles met humor was ondergaan waren de douanebeambten juist weer heel vrolijk geworden. Wij waren een van de laatste auto’s die doorzocht werden en toen de mannen klaar waren met ons riep een van de douanebeambten lachend “waarom zijn jullie onschuldig?!”... “Geen wapens, geen drank, geen drugs...” Waarop ik lachend mijn excuses aanbood en beloofde om de volgende keer iets mee te nemen zodat ze het zouden kunnen vinden, wat weer meer gelach opleverde. Dus volgens Frank hadden we een goede invloed gehad, en volgens hem zijn wij sowieso de eerste golf toeristen en dus in feite pioniers in dit land en kan ons voorbeeld de indruk vormen die mensen voortaan van (Zuid-Afrikaanse) toeristen zal hebben... We zijn in ieder geval wel waarschijnlijk onder de eerste Nederlandse toeristen om hier zelf rond te rijden!

We zouden vannacht slapen in Robin’s Camp, en hadden op zich niet zo veel kilometers om te maken. Plus we waren onverwacht vlot door de douane gegaan ondanks dat we met 7 auto’s en een aanhanger waren, en zo grondig waren doorzocht. We hadden dus alle tijd om op ons gemak richting Hwange National Park en Robin’s Camp in te rijden. De rit naar Robin’s Camp was mooi, Hans en ik hadden echt weer het gevoel dat we in Afrika en in de bush waren. Maar wat ons opviel was dat we haast geen dieren zagen. Daar waren we wel al voor gewaarschuwd, want in Zimbabwe zijn de nationale parken niet omheind, nauwelijks onderhouden, mag er aan de randen gejaagd worden en wordt er (onder andere vanwege de armoede) overal gestroopt. De dieren zijn er dus wel, maar zijn niet alleen alert op mensen zoals dieren in de rest van Zuidelijk Afrika, maar dus ook op auto’s – als ze een auto horen zijn ze er al vandoor! Het meest spannende wat er gebeurde onderweg was dat de eerste twee auto’s van de konvooi de konten van twee leeuwen gezien hebben, terwijl ze de bosjes invluchtte...

Rond lunchtijd kwamen we aan in Robin’s Camp, wat ooit duidelijk een prachtig kamp moet zijn geweest en nu, zelfs voor Afrikaanse standaarden, behoorlijk verwaarloosd is. Maar de kampeersite is best mooi en de wc’s waren schoongemaakt. We kregen hier een broodlunch (alles word dan netjes op een tafeltje uitgestald zodat je zelf je boterham kunt maken) en in de middag besloten we met Paul en Lin wat rond te gaan rijden. We konden een route rijden via twee uitkijkpunten en een meertje: Little Tom hideaway, Big Tom hideaway en Crocodile pools... Klonk goed! Dus wij de radio’s pakken, de gps’en instellen en op pad; het zou totaal misschien maar zo’n 15 kilometer zijn, dus een rustig rondje. We reden eerst op Little Tom af, dan zouden we daarna vanzelf langs Big Tom rijden, en dan moesten we vanwege de conditie van de wegen (verderop was de weg blijkbaar bijna weggespoeld en vol modder) weer terugrijden richting het kamp, om iets daar voorbij de afslag naar Crocodile Pools te nemen... Maar terwijl we reden kwam Little Tom op de gps weliswaar steeds dichterbij, maar we zagen helemaal niets! We reden alleen maar door metershoog riet en gras, zo dicht en hoog dat er haast een olifant naast ons kon staan en we zouden hem niet zien...

Nadat we goed en wel voorbij de volledig onzichtbare afslag naar Little Tom waren werd het landschap platter en weidser, en reden we uit het “bosveld” (een combinatie van hoog gras, struiken en lage boompjes) een droog rietveld in. We waren omsloten door hoog riet, en de ondergrond was hard en hobbelig, hard geworden modder. We werden dus door elkaar geschud tijdens het rijden! Na dit een tijdje volgehouden te hebben stopten we om eens te overleggen; het leek alsof dit nergens naar toe zou leiden, dus we besloten de zoektocht naar de beide Toms op te geven en terug te gaan naar de “hoofdweg” (ook een zandweg maar dan iets groter) om van daar uit naar Crocodile Pools te rijden. Met een beetje moeite draaide Paul en Hans de auto’s 180 graden in een 6-punts draai via het hoge riet... Er was niet zo veel ruimte namelijk!

Onderweg terug naar de hoofdweg zagen we bij een splitsing opeens een kapotte betonnen wegwijzer staan: vanuit deze kant stond duidelijk aangegeven dat Little Tom naar links was, over een klein maar begaanbaar weggetje (vanuit de andere kant was niets te zien geweest, zelfs de omgevallen wegwijzer was onzichtbaar in het hoge gras)! Dus toch maar even afslaan en kijken... De “hide”, een klein gebouwtje waar je normaal gezien onder beschutte omstandigheden kunt zitten kijken naar een drinkplaats of andere plek waar dieren verzamelen, was ernstig vervallen. En de plas waar hij over uitkeek was leeg, er waren zelfs nauwelijks vogels te zien. Maar een deel van de rest van de groep had zich daar inmiddels ook verzameld dus we hebben even staan kletsen voordat we richting Crocodile Pools reden.

Naar Crocodile Pools toe was een mooie rit, door een rivierbedding in een valleitje en over heuveltjes, maar bij Crocodile Pools zelf was de hide ook enigszins vervallen en qua dieren ook weinig te zien. Roger en Claire en het stel dat nog nooit met Bhejane mee waren geweest waren er ook. Er waren wel inderdaad één of twee grote krokodillen in het water, die pas opgemerkt werden door iedereen na een verhitte discussie of het nou een rots of een krokodil was... En na een tijdje kwam een grote waterbok of kringgat uit de bosjes ver aan de overkant, maar hij bleef staan toen hij ons opmerkte (we waren ook wel een beetje lawaaiig misschien) en kwam niet verder uit de bosjes. Na een tijdje daarnaar kijken besloten Hans en ik dan ook om maar lekker terug te gaan naar het kamp en te douchen voordat het donker werd. We werden onderweg een heel eind begeleid door guinea fowls die voor de auto uitrende zodat je bang was dat je ze omver zou rijden!

De douches en wc’s waren redelijk schoon wat ons betreft, maar als je dat niet gewend ben moet je er wel doorheen leren kijken: ze zijn zeg maar zeer rustiek Afrikaans; een donker, betonnen gebouwtje met rieten dak, donkere hoekjes met grote spinnen en/of hagedisjes, afbladderende verf, barsten in de wc-pot en deuren die niet op slot kunnen. De douche was bovendien zo afgesteld en in de muur gemetseld dat als je de straal hard aan zou zetten hij de overkant van de douche zou raken in plaats van de grond... Je moest hem dus zo zachtjes aanzetten dat de straal door de zwaartekracht vanzelf naar beneden viel in plaats van de muur er tegenover nat te maken. En Hans had wel warm water maar ik niet. Nou kan dat misschien aan de op dit soort plekken vaak onnavolgbare loodgieterij liggen en het feit dat hij het dichtste bij de “donkey” of “ezel” was: een betonnen torentje met bovenin een ton regenwater (of in dit geval putwater), en onderin een ruimte waar vuur gestookt kan worden. Boven het vuur lopen dan de buizen vanuit de waterton naar het douchegebouw zodat je, zolang er vuur is in de ezel, warm water kunt hebben... Maar ach, koud water is wat mij betreft ook wel te doen, zeker als het buiten 30 graden is! 2 van de Zuid-Afrikaanse vrouwen vonden het echter niks (Claire en Lin zijn net als ik bikkels), dus werd de mannen-kant tijdelijk uitgeroepen tot vrouwendouche...

Het eten vanavond was lekker spaghetti, en we hadden een gast: er stond op de camping verder namelijk ook nog een Zuid-Afrikaan die naar Australië was verhuisd en nou in een oude 4WD met kampeergerei rond de wereld trok; hij was in India begonnen en deed al zo’n 7 jaar lang steeds een paar maanden lang rondrijden, zijn auto ergens achterlaten, terug gaan naar Australië om geld bij te verdienen (hij was een dokter), en dan weer terug naar zijn auto komen en een stuk verder te rijden. Hij was al door heel Azië en Afrika geweest en was nu geleidelijk aan onderweg naar Johannesburg aan het reizen... Frank had hem uitgenodigd om met ons mee te eten, en hij kwam naast mij zitten dus ik heb er een tijdje mee gekletst. Interessant om zijn verhalen te horen, al zijn dat soort mensen vaak van nature en door de extreme reizen die ze maken een beetje zonderling en op zichzelf aangewezen. Omdat het vannacht weer een koude nacht beloofde te worden zijn we met kleren en al in onze slaapzakken gekropen, in de hoop dat we het zo iets warmer zouden hebben dan gisteren!

Zondag 15 mei: Pandamatenga – Hwange National Park (Robin’s Camp): 100 km

free counters