Maandag 23 mei: Mana Pools National Park – Antelope Park Private Game Reserve: 549 km

Er waren niet zo heel veel geluiden die we niet al kende vannacht (nijlpaarden, bronstige impala’s, olifanten, huilende hyena’s en zelfs af en toe leeuwen in de verte), maar ik had aan het begin van de nacht wel wat moeite om in slaap te komen; er liep namelijk net toen ik aan het wegzakken was opeens een groot beest vlak langs onze tent. Ik zou hebben kunnen zweren dat het een olifant was en die doen wel niets met tenten maar hebben zo af en toe de neiging om zoiets opzij te duwen als ze ergens bij willen – en hij was zo te horen wel héél erg dicht bij! ’s Ochtends bleek het een nijlpaard te zijn geweest... oef!

Vandaag was weer een verplaatsingsdag, ontbijt was dan ook vanaf half 6 – en zodra we de tent verlaten en leeggehaald hebben staat Petri of Paul van Bhejane al klaar om hem op te ruimen. Het is wel erg vroeg maar als je er dan toch uit moet heeft het ook wel wat om zo bij het ochtendgloren aan een grote rivier zoals de Zambezi te staan... We reden om 6 uur individueel weg, we moesten over zo’n 50 kilometer verzamelen aan het begin van het park maar dat was pas rond 8 uur. En Hans en ik waren nog maar nauwelijks vertrokken of er stond al weer een olifant op de weg voor ons. Inmiddels al wat ervarener met de olifanten van Mana Pools ging Hans al ruim van te voren langzamer rijden zodat de olifant zich niet bedreigd hoefde te voelen en doorliep. Zodra de zon boven de horizon kwam waren de stralen al warm – het ging weer een hete dag worden waarschijnlijk! Maar het leverde wel mooie landschappen op, zo in de vroege ochtendzon door het park te rijden... Toen wij vlak bij de brug waren bij de eerste slagboom zagen we opeens 3 leeuwen in de bosjes langs de weg! Wauw, dan toch nog leeuwen op deze reis gezien! We hebben er even naar gekeken maar kregen toen via de radio bericht dat er op de brug zelf ook leeuwen te zien waren, dus toch maar doorrijden toen ze in de bosjes verdwenen.

Op de brug zagen we wel vier olifanten graven naar water in de zanderige rivierbedding – ze maken daarvoor speciale gaten die dan ook weer voor andere diersoorten als waterbron dienen. Er was in dit geval ook een familie bavianen op hun beurt aan het wachten, op een veilig afstandje van de olifanten. Toen we al een tijdje stonden te kijken zagen we ook opeens 3 haast onzichtbare zandkleurige leeuwen op het warme zand liggen, op veilige afstand van de bavianen en olifanten, ook waarschijnlijk op hun beurt aan het wachten! Hans en ik hebben genoten van het zicht van de drinkende olifanten, we konden er geen genoeg van krijgen – en af en toe naar de leeuwen en bavianen kijken natuurlijk... Na een tijd zagen we opeens dat in de verte achter de olifanten de 3 leeuwen die we eerder in de bosjes gezien hadden de rivierbank afkwamen en op de rivierbedding liepen – maar ze schrokken duidelijk van de andere 3 leeuwen en/of van de olifanten en verdwenen al gauw weer in de bush; iets te veel volk bij de drinkplaats zeker!

De rit uit het park, langs al die grillige eeuwenoude baobabs, en terug de berg op en aan de andere kant weer af was heel mooi. We hebben vandaag geluncht bij de grotten van Chinoyi, grote gaten in de kalkstenen rotsondergrond die gevuld zijn met helder blauw water. Best mooi om te zien! En een kans om weer eens met onze onderwatercamera te spelen, want we konden tot aan de rand van het water komen. Het water zat vol vissen en zag er prachtig uit, maar ik heb nauwelijks goede beelden kunnen maken onderwater want zodra ik mijn hand in het water stak werd die belaagd door honderden piepkleine visjes die aan mijn huid kwamen knabbelen! Uiteindelijk probeerde ik dus maar foto’s te maken van de visjes zelf in plaats van het onderwaterlandschap waar ze steeds voor zwommen... De lunch was eenvoudig, met oud brood en crackers – we merken dat er deze reis toch wel veel eenvoudige lunches gegeven worden, vaak maar met ham en salami, komkommer en tomaat of zoet als broodbeleg, geen kaas, en sauzen zoals mayonaise en zo moet je speciaal voor vragen... In eerdere reizen werd dat toch altijd allemaal voor je klaargezet, was er meer keuze met de lunch en waren ze ook wat gevarieerder – wat vaker iets speciaals zoals pastasalade of zo.

Na een tijd kwamen we meer in agrarisch gebied; dit was wel schrijnend en nog een overduidelijk overblijfsel van de problemen die Zimbabwe de afgelopen tientallen jaren heeft gehad. Vroeger was dit het meest vruchtbare deel van Zimbabwe, het werd zelfs de broodmand van Zuidelijk Afrika genoemd vanwege de enorme hoeveelheid export aan gewassen. Nu staan de enorme graansilo’s (op plaatsen wel 20-30 tegelijk) leeg en vervallen en importeert Zimbabwe alleen nog maar. De tabaksvelden zijn overwoekerd, braakliggend of vernietigd, en de droogschuren voor de tabak uitgebrand, ingestort of gekraakt en tot onderkomens gemaakt. Er wordt hoogstens nog door individuen voor eigen consumptie gewassen geteeld, op kleine schaal op kleine veldjes, en alle industrie is verdwenen. Alle blanken boeren zijn verjaagd (of vermoord geweest), en hun ooit vruchtbare boerderijen zijn vervallen en staan op instorten... De tabaksindustrie was hier vroeger van zo’n hoge kwaliteit dat de opbrengst van één baal tabaksbladeren zo hoog was, dat van het geld indertijd het lokale rugbyteam een hele maand naar Engeland kon gaan voor wedstrijden, waarbij alle kosten van vliegtickets, tenues, sponsoring, onderdak ter plekke enz. volledig gedekt waren! Nou exporteert Zimbabwe niets meer, behalve diamanten die recentelijk gevonden zijn – alles wordt geïmporteerd. En de diamanten leveren dan wel veel geld op, maar reken maar dat het gewone arme volk daar nog geen fractie van terugziet; de “fat cats” worden alleen maar rijker...

Toen we langzaam maar zeker dichter bij de meer stedelijke gebieden kwamen merkte we dat de auto’s duurder werden, maar de wegen waren steeds al uitstekend; alle asfaltwegen waren beter onderhouden dan bijvoorbeeld wegen in Botswana of zelfs Zuid-Afrika. Weer iets waar we ons over hebben zitten verbazen! Ook de steden zien er goed onderhouden uit, al is er altijd een tegenstelling; van ver lijkt alles goed en “normaal”, maar van dichtbij zie je dat mensen in de vervallen tabaksloodsen en fabrieken wonen, dat de mooie huizen instorten, dat winkelpanden gesloten en vervallen zijn, dat de tuinen weliswaar onderhouden zijn maar de huizen leegstaan. Alsof het land, of in ieder geval de blanke bevolking, zit te wachten op betere tijden dat ze weer terug kunnen komen en de draad weer oppakken. De kleine steden waar we doorheen reden waren ook op hun manier (we houden niet van steden) keurig en mooi; goed onderhouden, mooie lanen, net uitziende mensen, winkels, industrie – het ziet er allemaal zo enorm veel beter uit dan we ooit verwacht hadden! We waren ervoor gewaarschuwd dat we geen foto’s moesten maken in steden, maar ik heb toch maar geprobeerd wat indrukken te vangen zo af en toe met mijn mobiel – dat valt waarschijnlijk minder op dan een fototoestel, en mocht het misgaan dan kan ik altijd nog zeggen dat ik probeerde bereik te vinden voor een sms’je...

We hebben vandaag onderweg ook voor het eerst kennis gemaakt met de “wegenbelasting” in Zimbabwe; om de haverklap werd er “tol” geheven: 1 USdollar per auto... Naast de tol moesten we ook regelmatig afremmen voor politie-checkpunten, al leken die meestal vooral geïnteresseerd in auto’s met Zimbabwaanse nummerplaten in plaats van buitenlanders. Onderweg zagen we natuurlijk van alles op en naast de weg; vrouwen met zware lasten op hun hoofd, schoolkinderen, ossenwagens, fietsers, ezels, overvolle vrachtwagens, overvolle busjes en personenauto’s...

Tegen het einde van de dag kwamen we eindelijk aan in het stadje Gweru, en vlak daarbuiten bij de Antelope Game Reserve waar we vannacht zouden overnachten. Het was een hele mooie kampeerplek naast de beste wc’s en toiletten van heel de reis! Het is een plek die duidelijk gericht is op buitenlandse toeristen, want het is goed (Westers) georganiseerd, commercieel en met oog voor detail; zoals bijvoorbeeld het welkomstdrankje en warme gezichtsdoekje. Maar het blijft Afrika: het gezichtsdoekje was IJSkoud, en het welkomstdrankje niet voldoende voor heel de groep en zomaar weggezet op tafel bij de keukenhoek zodat de mannen van Bhejane het al half ophadden voordat we er erg in had dat het waarschijnlijk voor heel de groep bedoeld was. Het voelde toen de zon onder begon te gaan alsof het vanavond weer een koude nacht zou worden, het begon al gauw flink af te koelen... Wij hebben gelijk maar de leeuwenwandeling geregeld voor morgenochtend; we vinden het niet fijn om toe te geven maar als je iets geregeld wilt krijgen moet je het aan een blanke vragen... Want we werden eerst benaderd door een zeer vlotte en uitstekend Engelssprekende zwarte die “het zou regelen en zo terugkomen” toen we over de leeuwenwandeling vroegen – en toen uit zicht verdween. Pas toen een blanke jongen kwam vragen of alles naar wens was en we aangaven dat iemand al voor ons aan het kijken was wat betreft de leeuwenwandeling, werd het echt en gelijk geregeld: hij ging er dus ook echt gelijk achteraan. Zucht...

Er stonden wat bomen om de “lapa” (rieten afdakje dat als verzamelplaats dient) waar de keuken opgezet was, en er zat iets in dat in het schemerdonker aan het krijsen was; het leek wel een kat, en er had ook een kat rondgelopen, maar het bleek een bushbaby te zijn – een vreemd wezentje met grote bolle ogen dat klinkt als een huilende baby... Ondertussen werd het steeds kouder, Hans en ik hebben het deze reis vaak koud gehad! Nu ook weer trokken we onze jassen aan om iets meer warmte vast te houden; gelukkig hadden de medewerkers van het park een enorm vuur gestookt voor ons – er lag wel een halve boom op, dikke takken... Dat is wel beter dan het iele kampvuurtje dat wij steeds krijgen dat eigenlijk helemaal niet voor de gezelligheid of onze warmte bedoeld is maar bedoeld is om op te koken of het afwaswater warm te houden; de “kampvuren” op deze reis staan altijd vol met 2 ketels en een paar emmers water, en vaak nog wat gietijzeren potten voor het eten... daar mogen wij dan ook omheen komen zitten. Het kampvuur als middenpunt van de gezelligheid ontbreekt er een beetje aan deze reis. En wat kampvuren betreft, wij moesten er morgenochtend als enigste vroeg uit, want onze leeuwenwandeling begon om 6 uur ’s ochtends en de rest van de groep hoefde er dan nog niet uit; dus Petri was al haast aan het smeken of hij toch thee mocht zetten voor ons morgenochtend, maar wij gaven aan dat dat echt niet hoefde voor ons.

Helaas gaat de groep niet als groep naar de Zimbabwe Ruins, want Frank wil het alleen doen als heel de groep erachter staat, en het enigste stel dat nog nooit eerder mee geweest is met een Bhejane reis wil het niet. Zij is nogal een popje, heeft vermoeden wij nog nooit gekampeerd (in ieder geval niet in het wild) en hij is een sukkel die haar haar zin laat doen. Zij vindt dus dat het te ver om zou zijn en de dagen te lang worden – terwijl we nergens dichterbij de ruines zijn dan vanuit Gweru: het is morgen totaal maar 200 kilometer om er te komen, en de dag erop maar 400 kilometer om naar Motopos te komen, het eigenlijke volgende punt op het programma. Dat is nog geen 300 kilometer extra dan rechtstreeks vanuit Gweru naar Motopos te rijden, en de ruines zijn een van de meest beroemde dingen om te zien in Zimbabwe... maar goed, het popje wil dus niet. Wij zessen vinden het heel erg jammer dat wat in feite een redelijke avontuurlijke reis is en in principe van programma zou kunnen wijzigen als de omstandigheden het toelaten (zoals hier), gedicteerd en min of meer geboycot moet worden door de enigste die geen Bhejane-ervaring heeft, en vooral dat Frank erin meegaat in plaats van ze probeert enthousiast te krijgen voor de ruines. Maar goed, Paul en Lin en wij hebben al gezegd tegen iedereen dat wij hoe dan ook zullen gaan, en gelukkig hebben Roger en Claire zich bij ons aangesloten, dus wij gaan gezellig morgen met zijn 6-en de ruines bezoeken! De andere drie staan er neutraal tegenover en zouden in principe wel meegaan als de groep als geheel ging, maar gaan nu dus niet mee met ons.

Maandag 23 mei: Mana Pools National Park – Antelope Park Private Game Reserve: 549 km

free counters