Donderdag 26 mei: Mutare (Leopard Rock Hotel): 314 km

Het ontbijt vanochtend leek van een afstandje heel wat, maar was in de praktijk niet zo heel veel. De fruitsla was wel erg lekker en dat hebben we gemist bij Bhejane, merken we; op eerdere trips kregen we veel meer fruit. Ze zijn lijkt het hier en daar aan het bezuinigen op etenswaar. Omdat we hier vanavond nog een nachtje bleven hoefde we lekker niets in te pakken dus hebben we alleen onze spullen een beetje weggelegd in de kamer en belangrijke dingen zoals geld (we stikken nog van de Zuid-Afrikaanse Randen) en paspoorten gaan natuurlijk mee in de auto. De laptop is altijd een twijfelgeval; om het ding zelf geven we niets, maar de foto’s erop hebben emotionele waarde. Uiteindelijk besloten we dat het hotel veilig genoeg moest zijn, dus hebben we hem in de kamer gelaten – weliswaar achter het gordijn – onze insteek is dat je niemand moet verleiden.

Vandaag hebben we een mooie, rustige maar lange rit gemaakt in de regio. Paul en Lin wilde ons vandaag meenemen naar Troutbeck voor de lunch, want Troutbeck is blijkbaar beroemd om zijn forel. De rit was erg mooi, bergachtig en afwisselend “Afrikaans” en “Europees” qua landschap – op een gegeven moment reden we door haast Zweeds-aandoende dennenbossen! We hebben hier het hoogste punt van onze reis bereikt – op 2125 meter boven zeeniveau, op een bergpas met uiteraard weer mooi weids uitzicht over de omliggende bergen. Bij Troutbeck aangekomen reed Paul er eerst langs omdat hij het niet herkende – het was een of ander luxeaandoend resort met lelijke identieke time-share chaletjes om een mooi meertje heen. Bij het hek om het terrein op te rijden kwam de portier aangerend toen we aan kwamen rijden, maar op een manier die we nog nooit gezien hadden; het was een bizarre karikatuur van een militair loopje... Hans en ik keken in fascinatie hoe de man een haast lachwekkend marcherend dansje uitvoerde voor ons, met overdreven salueren en hielen tegen elkaar klikken. Paul en Lin vertelde later dat dat vroeger normaal was bij alle hotels en lodges in deze regio, en hotels er trots op waren en het eiste. We kregen de indruk dat de bron lag in een vorm van “wildenvermaak” uit de koloniale tijd, waarbij er gelachen kon worden om de belachelijke zwarte... En gek genoeg is het loopje er dus wel gewoon in gebleven na het einde van de koloniale tijd.

Troutbeck was haast nog erger dan Leopard Rock; het ademde oude, snobistische, rokerige, stoffige sjieke, old boys country club vergane glorie... Donker houten betimmering, grote stoffige fauteuils, platen aan de muur van Engelse jachtpartijen en andere taferelen, een enorme open haard, een pubachtige bar, zit- en rookkamers, lelijke tapijten... Brrrrr! Het leek net iets uit een karikatuur van het Engelse upperclass (verveelde) landelijke leven. En dan nog zwaar vergane glorie. Maar goed, de forel moest hier lekker zijn dus we zijn even over de “lawn” gewandeld om naar het meer te kijken en zijn toen op het terras gaan zitten voor de lunch. Volgens Hans was de forel inderdaad heel erg lekker – ik had geen zin in vis dus had een lekkere kipburger genomen.

Na de lunch zijn we weer onderweg terug naar het hotel gereden, maar wel nog via een omweg want Paul en Lin wilde nog één ding bekijken in deze regio; La Rochelle, in de regio van Penhalonga. Dit is nou zoals zo veel dingen vervallen maar vroeger was het een prachtig landhuis, een half kasteeltje en de eigenaren hebben een belangrijke rol gespeeld in de Rhodesian War in de jaren zestig... Het huis werd in 1951 gebouwd door een rijk Engels stel, Stephen en Virginia Courtauld. Tijdens die oorlog werd er in deze regio veel gevochten, kwamen veel van de rebellen over de grens met Mozambique, en verscholen in deze regio zichzelf. De eigenaren van dit huis steunde de rebellen en niet alleen werd het erf dan ook met rust gelaten, er werden zelfs op het erf overleggen gepleegd. Dit betekende alleen wel natuurlijk dat ook zij af en toe onder vuur genomen werden; zo vertelde Paul en Lin dat toen de man overleed en de weduwe alleen achterbleef en nog altijd de rebellen bleef steunen, er door scherpschutters geschoten werd op haar gasten! De ramen waren beschermd met ijzeren roosters, zodat er geen granaten naar binnen gegooid konden worden... Toen zij uiteindelijk overleed doneerde zij haar volledige bezit hier in Zimbabwe aan de staat, inclusief vele van de kunstwerken. Het is lange tijd als museum behouden (Paul wist het zich nog te herinneren) maar uiteindelijk is ook hier natuurlijk heel de boel leeggehaald en wat er nou overgebleven was, was een lege, muffe vervallen schulp. Best wel zonde en enigszins deprimerend, eigenlijk.

Terug in het hotel hebben we de rest van de middag (we kwamen best laat terug, weer rond een uur of 4) op de kamer doorgebracht en gerust, en daarna was het tijd voor het avondeten. Dat was weer erg lekker en gezellig, al worden Hans en ik af en toe wel een beetje kriegel van alle obers om ons heen en het constante gevraag of alles naar onze zin is. Dat is vanaf morgen gelukkig voorbij, hopelijk! Onderweg naar de kamers om naar bed te gaan hebben we eerst afgerekend met de receptie – via wat vlieg en knutselwerk, want ze hadden alles op één rekening gezet dus het was het makkelijkste als Paul alles met zijn creditcard betaalde, en wij dan ons deel aan hem teruggaven in cash. Maar ja, zoveel dollars hebben wij niet meer dus hebben wij hem cash in Randen terugbetaald. Makkelijker voor ons, en voor hem natuurlijk want die Randen kan hij wel uitgeven in Zuid-Afrika.

Donderdag 26 mei: Mutare (Leopard Rock Hotel): 314 km

free counters