Zaterdag 28 mei: Motopos National Park (Farm House/Granite Ridge Lodge): 94 km

Vanochtend toen we naar het hoofdgebouw liepen om te ontbijten en het terrein op liepen rende er van die zwart-wit gestippelde hoenders voor ons uit – tijdens het ontbijt bleven ze heen en weer rennen en kakelen… Ze zijn tam net zo stom als wild: Paul vertelde dat zij vroeger ook “guinea fowl” hadden, en dat ze zichzelf altijd ’s ochtends vroeg om een uur of 5 sufvochten tegen de spiegelende patio-deuren van hun huis! Het ontbijt was uitgestald op de patio, en ondanks dat het nog een klein beetje fris was, was het heerlijk om daar in het opkomende zonnetje te zitten in die mooie tuin. De manager kwam tijdens het ontbijt een praatje maken; hij is een jongen van een jaar of 23, en vertelde dat hij met zijn ouders zes jaar geleden weggegaan was uit Zimbabwe terug naar Engeland, maar pas net een paar maanden weer terug om de boel hier weer op te pakken. Volgens mij waren zijn ouders de eigenaar van deze lodge en deed hij het managen voor ze, maar hoe dan ook liep hij over van het enthousiasme om er weer iets van te gaan maken in dit land. We hadden er wel respect voor, want het was duidelijk absoluut niet makkelijk als blanke in zo’n land.

Lin vroeg om 4 broodjes van het ontbijt zodat we lunch konden maken onderweg, en toen vertrokken we richting het Motopos National Park vlakbij. Uiteraard moesten we een kaartje kopen en was er veel administratieve rompslomp, maar zowel Paul en ik schrokken van de prijzen… 25 dollar per koppel inclusief auto voor Zimbabwaanen, 35 dollar voor Zuid-Afrikanen en andere buurlanden, 40 dollar voor buitenlanders. Wat een geld voor een relatief klein park! Paul was degene die het woord deed en ik stond erbij om voor Hans en mij een en ander te regelen, en we besloten bijna tegelijkertijd onbewust dat we zouden doen alsof we allemaal Zuid-Afrikaan waren. We zagen er toch Zuid-Afrikaans uit, hadden een Zuid-Afrikaanse auto, klonken zelfs bijna Zuid-Afrikaans; het kon best. Ik deed hem alleen af en toe wel knijpen want ik zag de vele formulieren die Paul in moest vullen inclusief dingen als ID-nummer, en zat voor mezelf al een nummer en adres te verzinnen – maar ik hoefde zelf gelukkig niets in te vullen. Het duurde natuurlijk lang en Hans kwam al aangewandeld om te kijken dus ik zei zachtjes heel snel achter elkaar “we-zijn-Zuid-Afrikaans” tegen hem voordat hij iets kon zeggen (hij snapte het en liep weer weg zonder iets te zeggen) want ik merkte dat de ene wacht wat slimmer en oplettender leek dan de ander en we moesten het natuurlijk niet verpesten! We werden alsnog een beetje afgezet want Paul had het geld niet exact en de bewaker had natuurlijk geen wisselgeld… Maar we mochten ook met Randen betalen hoor, alleen tegen de “officiele” wisselkoers van 1 – 10 in plaats van 1 - 7… Uiteindelijk hebben we een wisseltruc gedaan door zo veel mogelijk met Paul zijn dollars te betalen en de rest, ongeveer 7 dollar, met Randen om de afzetterij tot een minimum te beperken.

Iets minder financieel kaalgeplukt dan we officieel hadden moeten zijn konden we dan eindelijk met alle papieren het park in. Er waren twee onderdelen; aan de ene kant van de weg begon het wildreservaat, en aan de andere kant was het park dat het graf van Cecil John Rhodes bevatte, de oprichter van Rhodesië. We besloten eerst naar Rhodes te gaan. Het was een mooie rit door het park, langs een prachtig meer en een dammetje, en toen sloegen we linksaf langs het meer. Paul had Rhodes’ graf in zijn garmin gepland en wist de weg dus. Alleen de weg (al niet veel soeps om te beginnen) werd steeds smaller, het gras hoger en op een gegeven moment wisten we niet meer zeker of we nu op de weg of niet reden! Dat was ongeveer het punt dat we besloten om terug te gaan en een andere weg te zoeken, want dit was duidelijk niet de meest bereden route… in metershoog gras zonder plek om te draaien moest Hans heel voorzichtig achteruit rijden – alleen de weg leek nou helemaal verdwenen! Stapvoets terugrijdend vonden we eindelijk een plekje waar Hans met een paar keer steken in het hoge gras kon draaien. Terug bij de dam zagen we een steile weg de heuvel op en eenmaal daarop leken we eindelijk in de goede richting te zitten.

Bij de toegang tot “World’s View” uitzichtpunt en de heuvel waar het graf van Rhodes ligt moesten we nogmaals 20 dollar per stel betalen (als Zuid-Afrikanen), maar dan mochten we ook wel álle musea in Bulawayo gratis bezoeken! Ik kan me trouwens niet echt voorstellen dat er zo veel musea in Bulawayo zijn, of dat ze zo druk bezocht worden… Maar goed, de wandeling naar het graf begon door een bosje, en toen kwamen we in open landschap, en dat was erg mooi – we liepen nou op de “koppies” die we zo vaak zien in Zuidelijk Afrika. We liepen op een granieten vlakte en gladde granieten heuvelflank waar bovenop een paar knikkers van graniet lagen, en het uitzicht was inderdaad werelds – zo wijds, we konden heel ver zien over het bebosde land vol koppies en valleien. Erg mooi!

Het graf lag blijkbaar tussen de knikkers op de heuveltop, dus daar liepen we natuurlijk naar toe… Wat een gek gezicht, je loopt toch die helling op met het gevoel dat ze ieder moment naar beneden kunnen komen rollen! En eenmaal wat dichterbij blijken de bijna perfect ronde keien behoorlijk groot te zijn, soms wel een paar meter hoog. Wat een grillig grapje van de natuur, zomaar een stel knikkers op een heuveltop laten liggen… Cecil John Rhodes had inderdaad een magische plek gekozen als laatste rustplaats – zijn graf lag in het midden van de ronde keien, die als een soort bewakers om hem heen stonden. En tussen de keien door natuurlijk prachtige vergezichten over het landschap. Erg mooi allemaal, en heel erg de moeite waard van het bezoeken! Iets buiten het zicht en buiten de kring van keien lag het graf van zijn beste vriend, Leander Starr Jameson – volgens sommigen waren ze zelfs stiekeme minnaars. En weer iets lager op de heuvel lag het graf van ene Charles Patrick John Cochlan, ook een belangrijke notabele uit de tijd van Rhodes… Verderop lag nog een monument voor het een of ander – de eerste kolonisten denk ik: een zwaar massief blok. Een beetje storend in het landschap, de graven waren tenminste ingetogen en subtiel. Maar het was al met al een schitterende heuveltop, de keien waren heel mooi (net zoals de bontgekleurde hagedissen tussen de keien) en de uitzichten waren prachtig.

Het was onderhand tegen lunchtijd aan, dus besloten we een picknickplek zoeken op een van de zijtakken van de hoofdweg. We sloegen een pad in waarbij picknickplaatsen aangegeven werden, maar duidelijk dat daar niet zo vaak gereden werd, want het pad was bijna niet meer begaanbaar! Helemaal overwoekerd kronkelde het door de bush, en los van een betonnen rioolbuis op zijn kant onder een rots kon ik nergens een picknickplek zien… We reden door, op zoek naar de beloofde picknickplaatsen, tot we weer terug op de hoofdweg kwamen! Nou, dat was dus duidelijk niet zo’n succes… Vermoedelijk was de rioolbuis inderdaad de picknickplaats en moest het een prullenbak voorstellen, maar de auto’s waren flink bekrast door alle acacia-stekels en het was een lastig pad geweest om te rijden dus we hadden geen zin om dat pad opnieuw te nemen. Uiteindelijk vonden we een andere picknickplek – al reden we er al weer bijna voorbij: een kale ruimte onder 2 tegen elkaar aan steunende rotsen. Daar hebben we geluncht, en toen besloten we op te splitsen want Paul en Lin wilde nog graag Bulawayo verkennen, ik wilde eigenlijk naar huis en Hans wilde nog even de rest van het park doorrijden. Dus besloten we nog een eindje in dit park te rijden en dan naar het andere park aan de overkant van de weg (het “wildpark”) te gaan en daar een rondje te rijden voordat we terug naar ons huisje gingen.

Terug bij het kaartjeskantoor had ik nogal een bizar gesprek, want de twee bewakers van vanochtend stonden er nog maar ze wilde ons liever niet doorlaten. Ik heb wel 5 keer uitgelegd dat wij vanochtend nog een ticket bij ze gekocht hadden en toen voor hun neus omgedraaid zijn om eerst het andere park te bezoeken, en dat we nou dit park wilde bezoeken en nee we waren hier vanochtend nog niet in geweest! Uiteindelijk lieten ze ons door maar ik had de indruk dat ze het nog altijd niet echt geloofde… Zucht! En dan nog, volgens mij betaal je zo’n ticket voor de hele dag (je betaalt er in ieder geval genoeg voor!) dus waarom zou het dan een probleem zijn om nogmaals een park in te rijden? En dat ze ons vergeten waren vanwege de drukte geloof ik ook niet, er waren sinds ons nog maar 2 andere auto’s geweest volgens het grote boek waar alles in genoteerd moet worden… Ach ja, we mochten in ieder geval nou ook in dit park een rondje rijden.

Het rondje was op zich wel mooi maar we hebben heel erg weinig gezien; in feite alleen maar nijlpaarden in het meertje, apen en neushoorn-stront (best veel overigens). Dus na een tijdje hielden we het wel voor gezien en zijn we terug naar het huisje gereden om alvast wat van de kampeerspullen goed in te pakken voor de vlucht, samen met de vuile was. De vuile was die kapot was hebben we ook uitgezocht en hier achtergelaten; dat leek ons wel een goede plek, dus we hebben het netjes in een plastic zak op de vuilnisbak gelegd zodat het personeel eventueel kan besloten om er iets van te gebruiken. De rest van de middag heb ik een beetje zitten typen op de rotsen buiten het huisje en Hans heeft wat zitten lezen.

’s Avonds was weer koud maar iets minder koud dan gisteren – en we hadden weer een maaltijd buiten bij het enorme kampvuur! Heerlijk, maar zo moeilijk om jezelf van los te scheuren en naar bed te gaan – zolang er nog warmte en vlammetjes zijn wil je eigenlijk in het kampvuur blijven turen…

Zaterdag 28 mei: Motopos National Park (Farm House/Granite Ridge Lodge): 94 km

free counters