Vrijdag 19 april: Cotonou, Benin – 232 km gevaren

Als ik vandaag in één woord moet omschrijven (wat ik natuurlijk niet ga doen) is WOW denk ik nog het meest toepasselijk. Heerlijk, we hebben genoten, dit was echt authentiek druk, chaotisch, heet, bruisend, kleurrijk, lawaaiig Afrika!



Hoe omschrijf je Afrika aan mensen die er nog nooit geweest zijn...? Of in dit geval specifiek Benin dus. Onmogelijk denk ik! De wegen zijn chaotisch maar het lijkt toch altijd wel net goed te gaan... De straten zitten vol met mensen die alles verkopen wat maar denkbaar is: groente, fruit, brood, gebak, vlees, vis, potten en pannen, drinken, toiletartikelen, wc-potten, doodskisten, meubels, bouwmateriaal, kleren, schoenen, zonnebrillen, planten, velgen, mobieltjes, strijkijzers... Omgerolde vrachtwagens worden spontaan marktkraampjes. Auto’s staan midden op de weg stil, motoren halen halsbrekende toeren uit... Vrouwen lopen met grote bakken op hun hoofd waar hun koopwaar in zit, met een krukje erbij. Mannen lopen met enorme borden volgeprikt met zonnebrillen, of volgehangen met schoenen. Je kunt zelfs jeans op straat kopen (lijkt me lastig...)! Je kunt bij stalletjes bellen of je beltegoed opladen. Rieten hutjes met golfplaten daken staan naast gloednieuwe spiegelpaleizen waar het bouwplastic nog op de ramen zit, naast betonnen constructies die nog niet af zijn maar al wel in gebruik genomen zijn... De schaduw onder grote bomen dient als kraampjes, rustplaatsen, cafeetjes, ontmoetingsplaatsen, garage, houtatelier... Mensen dragen de kleurrijkste stoffen, prachtige Afrikaanse doeken... Er zijn miljoenen motoren, die alles vervoeren van mensen tot meubels tot jerrycans – ik heb zelfs een motor gezien die een grote liggende diepvries achterop had!! Voodookraampjes en natuurgenezerkraampjes staan naast nette witte betegelde klinieken... hutten zijn van riet, golfplaat, rubberen autobanden of zelfs nummerborden gemaakt. Motorbanden hangen in hun metallic verpakking in trossen te glinsteren, zakken rijst en meel zijn in kleurrijke muurtjes bij stalletjes opgezet, wieldoppen hangen in bomen om een garage aan te geven, enz enz enz...



En zo zou ik denk ik nog wel drie pagina’s door kunnen gaan met wat je allemaal op straat ziet! Heerlijk...



Het was vannacht weer eens warm geweest in de hut, en Hans met name had daar veel last van gehad. Toen we vanochtend aan dek kwamen lagen we nog buitengaats van de haven van Cotonou, en het was 29 graden, maar het voelde toch meer in de buurt van de 40! De loods had om 7 uur bij ons moeten zijn geweest, maar dat was natuurlijk niet het geval, hij verscheen pas rond 8 uur bij ons om ons de haven in te leiden. Om 8:30 lagen we langszij, en rond 9:15 zaten we in de bus richting Ouidah. De douane van Benin had heel vriendelijk ons alvast het land in laten gaan terwijl het vereiste papierwerk nog niet klaar was; we kregen dus allemaal een papiertje mee voor als we vanavond zouden vertrekken, en dat moesten we in de loop van vandaag invullen. Hans had een tijdje staan praten met de kapitein, en wat is er toch een hoop douane-ellende die ons gespaard blijft! Zo moest de kapitein in Congo 100+ handtekeningen zetten, want voor iedere passagier moest apart een immigratie-papiertje ingevuld worden. Gelukkig had de kapitein een stempel van zijn handtekening!



Onze bussen waren keurige bussen; die van ons was zelfs gloednieuw, met een uitstekende airconditioning... Lekker! Er was een truck vol met iets van 6 politieagenten, en daarnaast nog een paar auto’s, verschenen in de haven: dit bleek onze escort te zijn. En ik denk dat er vanaf de kade naar het schip toe evenveel als niet meer foto’s gemaakt werden door havenpersoneel, politie en anderen figuren, als vanaf het schip naar de haven toe! Waarschijnlijk komen er niet zo heel vaak dit soort schepen binnen. Al is het wel een haven die door veel vrachtschepen bezocht wordt, te oordelen aan wat er al binnen in de haven lag, en wat er nog voor de kust lag.



We reden eerst met een andere bus (de andere twee deden het programma achterstevoren) van Cotonou naar Oudiah, de voodoo-hoofdstad van de wereld – de rit was maar 40 km lang, maar vanwege de slechte kwaliteit van de weg zou dit anderhalf uur duren. We hebben er van genoten, er was zo veel te zien! Alles wat ik hierboven omschreef en nog veel meer... Heerlijk! Je bleef gewoon kijken, er was altijd wel iets te zien. Het eerste deel van de weg ging over asfalt, maar toen raakte we bij het onverharde deel, dat bestond uit fijne aangestampte rode aarde. Het tempo ging omlaag maar daardoor konden we meer genieten van alles om ons heen. Op een gegeven moment kwam onze bus vast te zitten op een aarden wal; er was voor ons een diepe greppel waar we niet doorkonden, en de zijkant van de aarden wal was geleidelijk ook steeds steiler geworden, zodat de bus er ook niet meer makkelijk af kon rijden. De politieauto voor ons had geen probleem gehad en er geen erg in gehad dat zo’n grote zware bus het niet zou lukken, dus hadden ze ons hierop geleid. Na heel wat wikken en wegen en proberen besloot men ons toch maar over te laden naar de andere bus, die wel gewoon slim op het platte deel van de weg gebleven was – en we zaten nog niet goed en wel of onze bus was van de aarden wal afgekomen, met behulp van wat grote zware boomstammen om de greppel te vullen. We konden weer door dus!



In Ouidah werden we eerst naar het heilige woud gebracht, een belangrijke plek voor de voodoo religie. Het woud is nog actief in gebruik voor voodoo praktijken, maar voor toeristen en ter informatieve doeleinden hebben ze een deel in 1992 opengesteld voor het publiek en daar beelden weggezet van de belangrijkste vodon, of geesten/goden, hoe je het wilt noemen. Het was goedbedoeld maar had dus een hoog Disney gehalte, maar de bomen waren prachtige woudreuzen van wel 350 jaar oud, en er stond een mooie ruïne. Plus er hingen in wat nabijgelegen bomen grote groepen met grote fruitetende vleermuizen, dus al met al was het wel degelijk leuk om er rond te lopen. We kregen een welkomstritueel van de lokale voodoochief en zijn gevolg, en toen mocht men later met hem op de foto, waarbij een klein financieel offer niet verplicht maar wel gewaardeerd werd... Hans en ik hebben gewoon lekker rondgelopen en gekeken.



Toen was het tijd voor de christelijke kathedraal en de voodoo-slangentempel, die gebroederlijk tegenover elkaar staan aan een klein pleintje midden in Ouidah. We waren ondertussen al wat discrete voodoo-priester gebouwtjes langsgereden, waar je je problemen kon bespreken en laten oplossen. Ze zijn niet zo heel opvallend, want veel van de huisjes zijn wel met het een of ander beschilderd, maar dankzij de voodoo-lezing van onze ethno-historicus kon je ze nu makkelijker herkennen. De kathedraal zou nog een kwartiertje open zijn want die sloot om 12 uur en het was al 11:45, maar de slangentempel was gewoon wel open. Wij hadden weinig behoefte aan de kathedraal en gingen er van uit dat de meesten even in de kathedraal wilde kijken, dus wij zijn met een paar anderen die hetzelfde plan hadden rechtstreeks naar de slangentempel gegaan.



Ik wil al zolang als ik me kan herinneren een slang vasthouden, net zoals als dat ik eens een krokodil wilde aanraken (done that, een kaaimannetje in de Amazone) en een grote iguana en een vogelspin vasthouden (van die laatste inmiddels al voldoende wilde kandidaten op verschillende continenten ontmoet, maar dat doe ik liever als ik zeker weet dat ie geen kwaad kan). Maar een slang leek me echt altijd al zo gaaf om vast te houden! In deze slangentempel leven pythons, die er ontzettend goed verzorgd uit zagen; ze waren lui en goed gevoerd en vonden alles duidelijk wel best. De slangenmenners deden ze om onze nekken of in onze handen leggen maar op een gegeven moment waren Hans en ik en een paar andere dapperen ze ook gewoon zelf aan het oppakken en overgeven aan elkaar, want ze waren zo relaxed dat ze gewoon bleven zitten waar je ze wegzette.



Hans merkte op dat ik met een gelukzalige grijns op mijn kop aan het rondlopen was, en ik kon mezelf amper wegscheuren van die beesten; ze hebben zulke mooie lichamen en koppen, en sierlijke bewegingen... Ik heb uiteindelijk twee verschillende om mijn nek gehad, een andere in mijn hand, en ik heb een lieve Amerikaanse vrouw waar we graag met kletsen zitten pesten door haar slangen in haar handen te doen. Zij stond er een stuk minder blij mee te poseren dan ik! Hans had op een gegeven moment een slang om zijn nek die met zijn staart in zijn borstzakje kroop – toen we hem eraf tilde moesten we hem ook uit die zak peuteren. Het was echt heel leuk, en het was maar een bliksembezoek maar ik heb er van genoten en Hans vond het ook leuk. Entrees en dergelijke zijn allemaal al betaald vanuit de reis, maar ons werd van te voren verteld dat als we dat wilde we de eigenaar van de slangentempel wel iets extra’s toe mochten stoppen om te helpen met het verzorgen van de slangen; we hebben hem twee dollar gegeven toen hij ons nog even het slangenverblijf inwenkte om nog even foto’s van de pythons die overal lagen te maken; dat komt neer op de prijs van een extra entree.



Na de slangentempel zijn we naar het Portugees fort gegaan, ook midden in Ouidah. Dit fort was niet zoals andere Portugese forten die we gezien hebben: meer een soort ommuurde compound dan een fort, en dus ook niet erg spannend, maar terwijl we rondliepen kwam een zwarte jongen naar ons toe met de vraag of hij op de foto mocht met mij. Toen zijn maat zag dat hij de stap gewaagd had durfde hij het ook te vragen, en binnen de kortste keren moest ik met heel de club studenten een voor een op de foto, en na een tijdje was Hans ook aan de beurt, en toen moesten we samen met één of meer studenten... Het was op een gegeven moment niet meer bij te houden wie foto’s van wie aan het maken was! We stalen helemaal de show toen we aangaven dat we getrouwd waren en elkaar een kus gaven – toen zijn er heel wat foto’s gemaakt! De studenten kwamen van een universiteit in Nigeria en vonden het wel interessant dat ik daar ook gewoond had als kind. Ze waren heel aardig en vrolijk en we hebben er een tijdje mee staan kletsen tot ze weer verder moesten. Maar we denken nu dat we op heel wat Nigeriaanse facebookpagina’s zullen prijken, al is het ons nog een mysterie waarom ze met ons op de foto wilde! Het is niet alsof ze nog nooit blanken gezien hebben lijkt me!



Nu de Nigerianen wegwaren was er verder weinig meer in het fort te beleven, dus zijn Hans en ik in de omgeving wat zijstraatjes ingelopen. We liepen op een gegeven moment langs een straat-altaartje, en richting een marktgebouw. De marktvrouwen waren niet blij met foto’s, dus we hebben er binnen geen foto’s gemaakt, maar het was wel interessant om rond te lopen, al was de markt al ver voorbij. Nadat we een beetje binnen rondgelopen hadden zijn we buitenom terug richting de bus gegaan, en kwamen we langs een viertal fetish-stalletjes, met gedroogde huiden, kikkers, kameleons, kleine zoogdieren, schedels, kruiden, van alles. Helaas ook wel bedreigde diersoorten waarschijnlijk; we zagen vogeltjes en de schedels van apen liggen, en horens en misschien zelfs ook wat ivoor, al weet ik dat niet zeker want we hebben het niet uitgebreid bestudeerd omdat we kritisch in de gaten gehouden werden door de staleigenaren, die niet blij waren met de paar foto’s die we maakte. Of dat nou was omdat we met de foto de geest en kracht van de objecten stalen, of misschien ook omdat ze wisten dat er illegale spullen tussen lagen en niet wilde dat dat op beeld gezet werd... Niettemin was het heel interessant om langs te lopen! Een beetje zoals de markt in La Paz, Bolivia, maar dan wel een stuk luguberder qua producten natuurlijk.



De scheepsdokter en haar man liepen daar ook rond en we hebben een beetje met ze gekletst. Ik met name over Nigeria, ze hadden namelijk in het fort opgevangen dat ik daar gewoond had en wilde weten hoe en wat, omdat zij daar een paar keer gewerkt heeft. Ze kende Port Harcourt ook en zei dat ik er in de goede tijd was geweest en nu niet meer terug moest gaan, omdat het mijn hart zou breken: het was een mooie, groene, veilige, prettige plek toen ik daar was, en nu was het een vieze, stinkende, vervuilde stedelijke zooi die nog gevaarlijker was dan Lagos – en dat is al een extreem gevaarlijke stad!


Vanuit het fort zijn we naar de slavenmarkt, en van daaruit over de slavenweg naar de zee en de “poort waarvan geen terugkeer mogelijk is” gereden, oftewel de weg die slaven moesten lopen en het laatste punt dat Afrikaanse slaven zagen van hun moederland voordat ze verscheept werden. Ook weer erg Disney-achtig, waardoor het heel moeilijk was om voor te stellen hoe het moet zijn geweest. Maar er stonden monumenten van bijzondere zwarte mensen op de slavenmarkt (onder andere van Rosa Parks), en onderweg was er een monument ter nagedachtenis aan de slaven, dus het was zeker geen lichtzinnig gebeuren. Onderweg stonden ook moderne beelden van de lokale koningen ten tijde van de slaventijd. Toen de slavernij opgegeven werd zijn veel van de laatste lichtingen slaven uit Benin teruggekomen en hebben in dit deel van het land hun eigen nederzettingen opgezet, met hun nieuwe namen – slaven kregen blijkbaar een nieuwe naam in het land waar ze te werk gezet werden. Ze trokken daarbij bij terugkomst in Benin samen in wijken met namen gebaseerd op het land waar ze naartoe verscheept waren geweest; dus hier bij de slavenweg was de Braziliaanse wijk, met allerlei Braziliaanse familienamen.



Vlak bij de poort, die natuurlijk aan het strand lag, hebben we in een soort lodge met camping, hotel en restaurant geluncht. Het was een heerlijke lunch, lekker met lokale gerechten. En er stond op de camping een overlandbus die helemaal van Reykjavikgekomen was, wat een eind! Er waren opvallend veel jonge Europese backpackers. Dat hebben we nog niet gezien tot nu toe. Sowieso, sinds we weg zijn uit Namibië is het aantal lokale blanken én het aantal blanke toeristen tot minimaal gezakt – tot vandaag dus.



Na de lunch zijn we weer terug naar Cotonou gereden en iets daarvoorbij naar het Nokoue meer gereden – het was natuurlijk weer een heerlijke chaotische rit met allerlei dingen langs de weg. Bij het Nokoue meer zijn we in houten bootjes gestapt om over het ondiepe meer naar het dorp Ganvie te varen. Ganvie is op stelten gebouwd en stamt blijkbaar ook uit de slaventijd, maar is ontstaan omdat mensen het meer optrokken om te ontsnappen aan de stammen die mensen ving en als slaven verkocht aan de blanken. Blijkbaar konden die stammen in deze regio niet zwemmen, dus was het een handige zet om het meer op te gaan. Daar zijn de mensen huizen op stelten gaan bouwen en gaan leven van de visvangst. En blijkbaar, waar je anders een stuk land kunt kopen om je huis op te bouwen, doe je in Ganvie een stuk meer kopen!



Het was een mooi dorp en leuk om er rond te varen. Sommige mensen hadden zelf eilandjes gemaakt door aarde en dergelijke onder hun huizen te storten, of – de moderne oplossing – beton. Andere huizen stonden nog gewoon op stelten – al waren dat in sommige gevallen al weer betonnen stelten in plaats van houten. Het dorp had water als wegen, met erven netjes afgebakend met hekken van palmbladeren in het water. Er was een moskee, een kerk, een marktplaats, scholen, winkels, allemaal op het water. Grappig om te zien! Zelfs de kleinste kinderen kon je op het water vinden in kanos of vlotten van jerrycans – de kinderen waren altijd wel blij en zwaaide terug als je zwaaide, maar de jongeren en volwassenen deden hun gezicht vaak bedekken. Later hoorde we tijdens de briefing dat een van de lokale gidsen verteld had dat er professionele fotograven foto’s hadden gemaakt van deze mensen en zonder hun toestemming of hen te betalen als briefkaarten op internet hadden verkocht – wat natuurlijk niet echt fijn is om achter te komen! Vandaar dat de volwassenen nu wat voorzichtiger waren geworden met mensen die fototoestellen op hen richtten...



We werden naar een soort pleintje gebracht van een hotel op het water, waar we even de benen konden strekken en souvenirs kopen als we wilde. Twee meisjes stonden iets te malen op stenen, en met eentje had ik vanuit het water al contact gehad toen ik naar haar zwaaide. Nu zag ze me weer en vond het goed toen ik vroeg of ik een foto van haar mocht maken: ze stootte zelfs haar vriendin of zus aan zo van, kijk nou, kijk nou, ze maakt een foto – ik praatte er een beetje mee en liet ze de foto’s zien die ik gemaakt had, en ze moesten giechelen en bedankten me zelfs. Omdat ik in het begin een paar woordjes Frans had gebrabbeld tegen de gids bleef hij de rest van de boottrip maar Frans tegen me praten en eisen dat ik vertaalde voor de rest. Pffff, ik spreek amper Frans!



Tegen 17:30 waren we weer terug op het vasteland, en daar hebben we nog een tijdje staan kijken terwijl we op de rest van de groep wachtte: het was leuk om de vrouwen met hun vissen en andere koopwaar te zien rondlopen, en de Ganviaanen waren creatief en ondernemend en ons constant aan het smeken om hun toeristische waar te kopen. Gauw daarna zaten we weer in de bus terug richting de haven. Onze bus was de eerste terug bij het schip, en wij stapte om 18:15 aan boord – ik geloof dat iedereen van de andere groep pas rond 19 uur binnen was. We waren moe en hadden behoefte aan een douche, maar omdat we geen zin hadden om ons daarna weer aan te kleden hebben we eerst onze foto’s gedownload van de toestellen (niet overdreven, wel 2000 foto’s vandaag), gegeten om 19:30, en toen een beetje op dek gekeken hoe we om 20 uur vertrokken en de haven uitvoeren. Om 21 uur was er nog een korte briefing over het programma van morgen (de klok gaat weer een uur achteruit, nu weer nog maar een uur verschil met Nederland), en daarna zijn we gauw naar onze hut gegaan om te douchen, typen, en slapen! De handdoekpenguïn was inmiddels ook al weer weggehaald... wel jammer, het stond wel gezellig in onze patrijspoort!



Routes

Dit is de route die we op het land tijdens de excursie gereden hebben:

Dit is de route die we vandaag gevaren hebben:



free counters