Zondag 28 april: Banjul, Gambia – 211 km gevaren

We stonden vanochtend weer vroeg op dek 7; om 6:45 stonden we te kijken terwijl we buiten Banjul dreven. We hebben deze reis gezien dat ons schip eerst ver buiten de haven, nog in de vaargeul, moet blijven wachten tot ze toestemming hebben om te benaderen en de loods aan boord zal komen. Dan vaart het schip wat dichterbij, tot vlak buiten de haven of de havenmond, waar we blijven tot de loods daadwerkelijk aan boord komt. Dan pas mogen we de haven invaren. Vandaag lagen we vlak voor het ontbijt dus nog ver weg, in de vaargeul, te wachten op de volgende stap in het proces. Iets na 8 uur was de loods aan boord en voer het schip de haven in en begon aan te meren; we hadden bij het benaderen van de haven een strand gezien met bananenboten en andere toeristische attracties, een beetje vreemd eigenlijk na zo’n maand van relatieve ontoeristische dingen – niet dat de landen die we bezochten niet ingesteld waren op toerisme (eigenlijk verrassend veel zelfs), maar hier zie je echt al vanaf de zee zichtbaar massaal westers toerisme...



We meerden aan in de vrachthaven, en terwijl we aan boord stonden te kijken tijdens het aanmeren kwamen al een paar muzikanten aangelopen over de pier. Het was een clubje wat oudere mannen, in witte pofbroeken en met trommels en een fluit. Terwijl ze rustig een goed plekje uitzochten op de kade (ze wilde duidelijk graag dicht bij de loopplank staan, maar vonden het lastig om in te schatten waar die zou komen, dus verkastte twee keer!) om zichzelf te installeren en lekker opgewarmd begonnen te raken kwam een stel jongere mannen aanzetten, gekleed in Gambiaans-gekleurde broeken. Zij hadden ook trommels bij en gingen op nog geen drie meter afstand van de oudere mannen staan, dus we hadden eerst zoiets van, die horen vast bij elkaar. Maar de jongere mannen gingen een heel ander ritme spelen! De twee groepjes hadden niks met elkaar te maken, maar stonden vlak naast elkaar hun eigen ding te doen... lachen!



We hadden gisteravond ingetekend voor de “natuurgroep” die met Conrad in het woud zouden gaan wandelen, en vanochtend terwijl we in de gang van dek 3 stonden te wachten tot het onze buurt zou zijn om aan land te gaan kwam een Australische waar we vaak mee praten geheimzinning naar ons toe. Zij baalt net als wij soms vreselijk van de Amerikaanse oudjes uit de Road Scholar groep, die blind zijn voor hun omgeving, vaak slecht ter been, traag en de indruk geven dat ze nog nooit hun eigen dorp uit zijn geweest (terwijl de meesten indrukwekkende lijsten met landen hebben die ze bezocht hebben – zij het vaak aan boord van cruiseschepen)... Zij had blijkbaar een groepje samengesteld die écht een natuurwandeling wilde, dus zonder de kletsende schapen – en wij moesten dan in een bepaalde bus stappen, dan zouden we straks bij het woud met de hoofd expeditieleider mee kunnen wandelen en gewoon genieten van het woud, zonder lokale gids die alles luidkeels verkondigd en zonder kletsende schapen in de achterhoede om alle dieren en vogels weg te jagen... Klonk goed!



Toen we op de kade stapte zagen we dat er inmiddels ook een paar verkopers bij de rivaliserende muziekbendes gekomen waren. En we zagen een ondernemerszin zoals we die deze reis nog niet gezien hebben – anticiperen wat de klant wil! Een van de verkopers had namelijk zo’n metalen caroussel vol met briefkaarten en adverteerde dat iedere briefkaart inclusief postzegel was, en dat hij ze zou posten... Nou doen wij niets meer met briefkaarten, maar we zijn af en toe verbaasd over hoe populair dat wel niet is bij de Amerikanen, en hoe belachelijk druk ze zich weleens kunnen maken over het wel of niet kunnen posten van een briefkaart. Er van uitgaande dat ze postzegels en een postkantoor kunnen vinden, wat ook al een flinke toer is! En deze kleine ondernemer had het hele probleem dus keurig geanticipeerd en lostte het netjes op voor ze... Hij deed dan ook goede zaken!



Het viel ons tijdens het rijden meteen op wat een schone, nette, rijke stad Banjul is – nou is dat misschien makkelijk, na de vieze, drukke, arme chaos van Freetown... In ieder geval klopte het rijke wel, dit is namelijk het administratieve hart van Gambia en er werken dus veel kantoorlui. Wat ook opviel waren de schitterende, kleurrijke, duur-uitziende traditioneel Afrikaanse kleding van de vrouwen, oud en jong. De jongere vrouwen dragen tegenwoordig normaal gezien meer westerse mode, al zullen ze voor speciale gelegenheden met plezier Afrikaanse kleding aandoen; maar vandaag zagen we sowieso vrouwen van alle leeftijden in de mooiste Afrikaanse stoffen in alle kleuren van de regenboog. Naast de Afrikaanse stoffen (al fel van zichzelf) waren vooral felle effen kleuren met mooie contrasterend gekleurde afwerking ook erg populair, zoals zuurstokroze met knaloranje en mintgroen.



We zagen onderweg de stad uitrijdend veel grote reclameborden langs de wegen die op de een of andere manier met de president te maken hadden... Mierzoete dankbetuigingen, verjaardagsfelicitaties, oude verkiezingsleuzen, felicitaties voor zoveel jaar onafhankelijkheid, enzovoorts... De president werd op deze borden echt de hemel ingeprezen! Wel typisch om te zien. Er leek over het algemeen meer welzijn te zijn in wat we vandaag zien van Gambia, ook buiten de stad. Het was natuurlijk ook overal rustig omdat het zondag was; de lokale gids in onze bus vertelde dat het doordeweeks een gekkenhuis was op de grote weg die de stad uit leidde.



Eenmaal bij het Abuko woud aangekomen bleek dat we ons speciale groepje op onze buik konden schrijven: we zaten vast aan deze bus en dat zouden we de rest van de dag blijven. En toevallig hadden we helaas in deze bus net wat van die Road Scholar oudjes, en ook nog eens een Zweedse expeditieleider die allesbehalve aardig is en qua humeur niet te pruimen... Dat ging nog gezellig worden. Maar gelukkig was Wolfgang de fotograaf ook bij ons en die wil meestal ook een beetje de rust opzoeken voor zijn fotocomposities, dus wij drietjes en Wolfgang bleven voor op de lokale gids en de grote kudde lopen, totdat Stefan de Zweed besloot dat iedereen in dichte formatie moest blijven lopen, en constant probeerde ons terug de grote, lawaaiige kudde in te krijgen... Vervelend!



Uiteindelijk hebben we een soort van onuitgesproken compromis gevonden, dat we zo ver voorop liepen als Stefan ons toestond (niet echt ver, maar als de gids voorop liep kon hij natuurlijk niet zeuren) en als de groep stopte, we wat naar voren liepen om toch nog een beetje het gevoel van het woud en eventuele vogels en zo mee te krijgen zonder het gekwek van de groep en het verhaal van de gids mee te krijgen. Gidsen in dit soort landen vertellen namelijk aan een stuk door, heel de tijd dat ze bij je zijn – wel leuk, maar ook een beetje om gek van te worden. Ze zullen je zelfs dingen vertellen als hoeveel mobiele netwerken er zijn in het land, of hoeveel televisiekanalen, of hoeveel 4-sterren hotels in de stad, alles wat ze maar enigszins kunnen verzinnen zullen ze vertellen! Ieder enigszins slim dier of vogel is dus al lang op de loop als wij aankomen...



We kwamen na een korte wandeling door mooie slingerplanten en wurgvijgen aan bij de vogelkijkplaats, een gebouwtje dat uitkeek over een poel water. Er was qua leven weinig te zien behalve een bijzondere giersoort in een palmboom (de vogelaars werden er helemaal wild van) en een aapje die vruchten aan het eten was in een boom. Al gauw wilde de gids weer verder, en nam ons weer terug richting waar we gekomen waren! Hans, ik en een paar anderen riepen daarop dat wij niet de korte wandelgroep waren, maar de lange wandelgroep, en het duurde een tijdje en koste wat verhitte gemoederen voor de lokale gids én onze expeditieleiders doorhadden wat er aan de hand was en de andere kant opdraaide... Grrrrrr, management is niet het sterkste punt van deze reis!



Maar goed, uiteindelijk was het wel een mooie wandeling, waarbij we heel mooi hebben kunnen kijken naar familiegroepjes apen – best wel dicht bij het pad ook nog! Het enige vervelende was dat Stefan een stevig marstempo wilde aanhouden, en iedere keer als wij meer dan een tel stilstonden om te fotograferen ons probeerde aan te sporen door te lopen. Toen hij merkte dat we hem gewoon negeerde als wij (en anderen natuurlijk) bezig waren iets leuks te fotograferen zoals twee moederaapjes met babies, probeerde hij het met een andere tactiek, door te zeggen dat er verderop nog véél meer aapjes en ook nog eens krokodillen waren! Daar trapten weinig mensen in, want het was natuurlijk onzin. Wat hij er mee wilde bereiken weet ik niet, als we aan zijn tempo gehouden hadden waren we binnen een uur in plaats van 2 uur klaar geweest in dat woud!



Onderweg naar het volgende punt op het programma stopte we langs de weg om te kijken naar een veemarkt; het mooie was dat de voederbakken allemaal stapels autobanden waren, waarin het hooi gegooid was zodat de dieren er gemakkelijk bij konden. Het was erg leuk om even te kijken naar het schouwspel en de bedrijvigheid op de markt. Er werd gehandeld, dieren verzorgd en ons natuurlijk even hard aangegaapt als wij hen. De mensen in Gambia worden liever niet rechtstreeks gefotografeerd en er werd op deze markt dan ook af en toe een beetje gemopperd op onze groep... Maar echt vervelend was het niet, sommigen schermde gewoon hun gezicht af.



Op een gegeven moment moesten we van de (overigens uitstekende) asfaltweg af en een zandweggetje in. Omdat wij een kleiner busje hadden dan de twee grote touringbussen die ook mee waren, konden wij het pad in – zij moesten, bleek later, heen en weer geshuttled worden in een grote 4WD truck of in onze kleine busjes. Het pad leidde langs grote plantages met cashewbomen, waar de cashewvrucht mooi rood of geel rijp in hingen. Er waren veel jonge kinderen langs de weg en in de bomen; die waren blijkbaar aan het snoepen van de cashewappels, en bewaarden de rauwe cashewnoten om thuis te branden en te verkopen – ten koste dus van de boer zijn oogst. Cashews zijn namelijk een heel duur product, omdat iedere vrucht maar één cashew produceert (zie ook onze 2011 Amazone reis). De gids plukte een vrucht voor ons om te bekijken, en te proeven als we wilde: het vruchtvlees is een beetje friszoet en doet mijn lippen en tong gelijk een beetje gevoelloos worden – Hans heeft er niet zo’n last van.



De kinderen deden meerennen met ons en af en toe ook zelfs meeliften achterop het busje, waar de chauffeur en de lokale gids natuurlijk heel erg boos om werden – een keer was er zelfs een vreselijk bonkend geluid... Haast alsof een kind onder de wielen kwam! Iedereen schrok ervan, en de chauffeur stopte ook geschrokken, maar toe hij merkte dat het iets van een stok was geweest die de kinderen tegen de auto hadden gegooid of geslagen werd hij woedend en kwam echt uit de auto gesprongen: toen verdwenen alle kinderen meteen als sneeuw voor de zon!



Uiteindelijk kwamen we aan bij het Makasuto cultural forest. Dit bos was waarschijnlijk bedoeld om mensen (toeristen) wat meer bij te brengen van de cultuur en natuur van Gambia. Er werd ons eerst een bloedrood en mierzoet hibiscusdrankje aangeboden bij de boma, oftewel zitplaats. Daarna gingen we door het bos wandelen waar we een van de vele putten die daar gemaakt zijn bekeken; op zich niet zo spannend natuurlijk, maar het was wel leuk om te leren dat termietenheuvels goede indicatoren zijn voor een hoge watertafel, en dus een goede plek om een put te maken! Verder kregen we wat bomen aangewezen zoals mahonie-woudreuzen, en bezochten we een medicijnman die “100 jaar oud” was. Dat zal wel meevallen natuurlijk! De medicijnman zat in zijn hutje met zijn geiten, daar was verder niet zo veel te zien, maar in de buurt zat een man stukjes mahoniehout fijn te hakken met een machete. Toen ik ging kijken en vragen of ik een foto mocht maken legde iemand die erbij stond en die genoeg Engels sprak uit dat fijngehakt mahoniehout gebruikt werd bij pasgeboren babies: ze trokken er een soort thee van, en deden de pasgeboren baby er een paar keer in baden. Hoe vaker je dat deed, hoe ouder de baby zou worden – heel symbolisch natuurlijk, aangezien de mahoniebomen zelf ook heel oud worden.



We hebben ook een tijd doorgebracht bij een strandje waar een paar halve bouwwerken stonden: hier vertelde de lokale gids vol trots wat een mooie lodge hier had gestaan en ooit weer zou komen te staan... Tot vervelens toe, totdat onze expeditieleiders hem letterlijk smeekte om alsjeblieft door te lopen aangezien we het bos en de natuur veel interessanter vonden dan een halfgebouwde lodge! Als laatste punt op het programma van de wandeling stond een uitleg hoe palmwijn gemaakt werd. We kwamen in een kleine open plek waar een hutje stond en allemaal bankjes, met in het midden een grote aardenwerken pot en een bordje dat fooien welkom waren... Onze lokale gids ging de palmwijnmaker halen, maar die had geen zin en het duurde een hele tijd voor hij uit zijn hutje tevoorschijn kwam met vers getapte, nog ongefermenteerde palmwijn. Iedereen mocht er wat van proeven, er zat nog geen alcohol in en het had een typisch zoet smaakje dat niet vies was maar nou ook niet bepaald lekker! Toen gaf hij een demonstratie hoe je met een band en je blote voeten een palmboom in kon lopen, en nadat hij even halverwege de palmboom had gehangen voor de foto kwam hij weer naar beneden en verdween weer in zijn hutje. Hmmm, tja, voor zo’n ongeïnspireerde show kun je toch nauwelijks veel fooien verwachten! Het was wel grappig om de kleine jongentjes te zien die waren komen kijken en continu gekke bekken trokken als wij hun kant op keken...



We werden in een busje teruggebracht naar het begin van het culturele woud en de centrale verzamelplaats, waar het stikte van de bavianen, en we al gauw van het lunchbuffet konden opscheppen. Het was eenvoudig maar vers Gambiaans eten, zag er goed uit en was erg lekker: veel durfde we er echter niet van te eten want het dreef in de palmolie en dat kan erg laxerend werken! De bavianen hingen in de buurt rond, gespitst op eten dat niet in de gaten gehouden werd, en een aantal (duidelijk goed doorvoede) honden liepen ook geïnteresseerd rond. Als toetje kregen we een banaan, baobabsap (heel dik en zoetzuur) en “cous-pannenkoekjes”, een soort oliebollen van een lokaal zwaar meel. Best lekker!



Na de lunch zijn we naar een tie-dye fabriekje geweest: “fabriek” is een breed begrip hier in Afrika – meestal, zoals hier, betekent het een open ruimte of meerdere open ruimtes waar meestal grotendeels in de buitenlucht door individuele artiesten gewerkt wordt. Om er te komen reden we eerst echter door een straatmarkt midden in de stad, wat natuurlijk altijd schitterend is om te zien, want we reden echt vlak langs alle stalletjes en koopwaar. Er wordt echt van alles verkocht en vaak wordt de koopwaar prachtig uitgestald in de kleine stalletjes aan de straat.



In de tie-dye fabriek kregen we uitleg van het batik-proces (schilderen met laagjes was, en tussendoor in verfbaden leggen) en het tie-dye proces (letterlijk “knopen-verven”, patronen maken in witte stof door middel van knopen en stiksels die na het verfbad losgemaakt worden). Ook werd er in een hoekje stof bestempeld met hete was in patronen, ook een bepaalde techniek. Uiteraard was er volop gelegenheid om te kopen, wat men dan ook gretig deed. Bij de ingang van het fabriekje waren ook wat souvenirstalletjes uit de grond gesprongen die houtsnijwerk, kralen en gewoven mandjes verkochten. Altijd leuk om te kijken, en bij de batiks hebben we zelfs een tijdje staan twijfelen of we niet iets wilde kopen: er was een vrolijk schilderij dat we wel mooi vonden, maar we hebben het uiteindelijk niet gedaan omdat het te duur was (80 dollar, wat we tussen deze groep Amerikanen niet veel lager zouden krijgen) en we ook wel wisten dat het thuis minder mooi zou zijn dan hier en uiteindelijk zoals zoveel dingen in de kast zou verdwijnen... En dat is dan ook weer zonde!



Het volgende punt op het programma was een “Botanische kruidentuin”, die aangeschreven stond als een plek waar allerlei heilzame en bijzondere kruiden geteeld werden. Hmm, tja, misschien 50 jaar geleden: nu was het alleen nog maar een zielig stukje land langs de weg waar wat zielige plantjes stonden die allemaal bedekt waren met schimmels en meeldauw en zo... Niet zo’n succes, al weten we dat dingen in Afrika vaak niet zo zijn zoals ze omschreven worden. Maar ach, we hebben weer even langs de weg kunnen staan kijken naar het passerende verkeer: hier in Gambia gebruiken ze tuktuks als een soort taxi’s, en dat was wel leuk om te zien.



Na de botanische tuin gingen we naar een echte, heuse markt – iets wat we naar ons eigen zin te weinig gedaan hebben deze reis, dus we waren erg blij want echte markten zijn altijd enorm leuk om rond te lopen! Er was hier echter toch ook een souvenirafdeling, uiteraard. Omdat het zondag was konden we rustig rondlopen – door de week kun je er blijkbaar niet doorkomen vanwege de drukte...



Op deze markt werd zoals altijd van alles verkocht – van electronica tot bouwmaterialen tot kleding tot etenswaar tot sierraden, souvenirs en huishoudartikelen. We hebben gedroogde hibiscusbloemen gezien, groentes, fruit, vis, kruiden en vlees, alles wordt zo open en bloot verkocht. Op de visafdeling hadden ze mosselen zonder schelp (ik denk al gekookt) die ze zo, onafgedekt, in manden verkochten: de vliegen kreeg je er gratis bij... Bleh! Ook de gerookte vissen zaten onder de vliegen. Zelfs de katten die hier rondliepen leken niet zo enthousiast – misschien valt het wel mee als je het gewend bent? Voor die mosselen moest je in ieder geval een heel sterk gestel hebben denk ik! Er waren ook schoenwinkeltjes en schoenmakers, klerenmakers, televisiewinkeltjes waar je televisie kon kijken of electronicazaakjes waar je spullen via de computer kon omzetten op CD of USB. Heerlijk om rond te kijken! Onze lokale gids leidde ons professioneel rond – we moesten helaas in een groep blijven, dat is Stefan zijn stokpaardje, die is in een vorig leven duidelijk schapendrijver geweest – en uiteindelijk kwamen we natuurlijk onherroepelijk uit in de souvenirmarkt.



De dames waren hier in de souvenirmarkt, net als overal hier in Gambia, schitterend gekleed en deden ons professioneel en met veel humor naar hun winkeltjes lokken om hun waar te bekijken. Als we zeiden dat we Nederlands waren riep men gelijk lachend “Kijken kijken”, maar als wij dan “niet kopen” toevoegde keken ze beteuterd! Erg leuk, altijd genieten zoiets. We hebben wat staan praten met de dames en enkele heren, en al werkte onze tactiek van humor en afleiding wel goed, de Gambiaanse ondernemers laten zich niet zo gemakkelijk afleiden en kwamen altijd wel weer even terug op het eventueel kopen van hun waar. Ik stond bijvoorbeeld met een wat oudere dame te praten die mooi gekleed en een prachtige, zware zilveren armband aanhad die duidelijk al een paar generaties oud was, en toonde daar beleefd oprechte interesse in – maar de dame was een gewiekste verkoper en bood haar armband al gauw te koop aan “voor de juiste prijs”! Zo geïnteresseerd was ik nou ook weer niet natuurlijk, ik vond het gewoon een mooie armband!



We kwamen pas rond kwart voor zes ’s avonds aan terug in de haven, na een lange dag Banjul en omgeving, en moesten om 19 uur al weer present zijn in de lounge want vandaag werd de liefdadigheidsveiling gehouden. De veiling werd aan elkaar gepraat door de wijnboer David van Niekerke die een professionele veilingmeester bleek te zijn, en er dus een hele leuke bedoeling van maakte. Als eerste werden 10 t-shirts, wat CD’s en andere zaken verloot – de lootjes hadden 20 dollar per stuk gekost, en Hans en ik konden onze oren niet geloven toen we hoorde hoeveel er gekocht waren: de loterij had namelijk al 3140 dollar opgebracht!! En we hoorde iemand zeggen dat de rijkste vrouw aan boord, diegene in de grote suite, (een raar mens die vaak verdwaasd rondliep, te dom voor woorden leek en waarvan je je afvroeg hoe ze ten eerste aan het geld kwam en ten tweede waarom ze er in godsnaam van ging reizen), voor wel 700 dollar aan lootjes gekocht had!



Daarna werd de scheepsvlag geveild, die deze hele reis voorop het schip had gewapperd en dus enigszins gerafeld was: deze ging voor 450 dollar weg. Toen werd het prachtige Afrikaanse pak waar Steven Boyes oftewel “Budgie Boy” die avond in rondliep alles aan te prijzen geveild – er was natuurlijk veel flauwekul of Budgie Boy nu wel of niet inclusief was, en of hij ter plekke het pak zou overhandigen of pas later... David was een strenge en medeogenloze veilingmeester die de prijs flink wilde opdrijven dus op een gegeven moment durfde we amper meer te bewegen – laat staan onze neus krabben! Stel je voor dat hij het als een bod zag...



Het Afrikaanse pak ging weg voor 180 dollar – exclusief Budgie Boy dus, en het werd niet net zoals de vlag gelijk overhandigd want Steve had begrijpelijkerwijs geen zin om de rest van de avond in zijn onderbroek rond te lopen! Daarna werd als laatste de beschilderde wereldkaart verkocht waarop de route van de reis ingetekend was en versierd met wat kleine aquarelschetsjes van dingen die we op reis gezien hadden. Het was wel grappig geweest om er elke dag onderweg naar de lounge langs te lopen, maar om het nou thuis op je muur te hangen? Zo bijzonder was het nou ook weer niet... Wij sloegen dan ook steil achterover toen hij uiteindelijk voor 1000 dollar verkocht werd!



Uiteindelijk had alles samen dus zo’n 4800 dollar opgeleverd, wat door iemand in het publiek spontaan opgehoogd werd met 200 dollar tot 5000 dollar. En iemand anders beloofde vanuit thuis nog eens 450 dollar te doneren, wat dan opgehoogd zou worden door G-Adventures zelf tot het dubbele, dus 900 dollar. Totaal werd er dus 5900 dollar opgehaald – en misschien wel meer uiteindelijk, aangezien je vanuit thuis ook nog eens kon doneren... Dit geld zou naar de presidentsvrouw van Sierra Leone gaan, voor haar project met de “baby-pakketjes”, die blijkbaar wel 40 dollar per stuk kostte. Dat kunnen we ons echt niet voorstellen, dat wat zalfjes, babymelk, luiers en doekjes in zo’n land meer dan 40 dollar per pakket moeten kosten... Een van de redenen waarom we de presidentsvrouw en haar liefdadigheidsprojecten niet echt vertrouwen.



Na deze liefdadigheidsacties was het etenstijd, en vanavond was het zogenaamd “Afrikaans”; helaas was er weer helemaal niets Afrikaans aan. De Filipijnse kok aan boord is best goed en kookt normaal gezien Westers, maar wij hebben de indruk dat het eten toen in Spitsbergen beter was en creatiever opgemaakt – vaak op deze reis krijg je een bord dat er wel netjes uitziet maar weinig geïnspireerd. En deze kok kan (ondanks dat ie Aziatisch is), lijkt het, alleen maar droge witte rijst maken! We hebben weleens “paella” of “pilaf” rijst gehad, dat dan gewoon een hoopje witte rijst was...



Deze avond zijn we trouwens niet verder gevaren, want we hebben twee dagen in Gambia. Morgenochtend vroeg gaat het schip pas weer varen, maar dan varen we de rivier de Gambia op om de zijriviertjes te verkennen in de zodiacs. De garmin kon dus een nachtje rust nemen (die staat tenslotte dag en nacht aan, behalve als we in havens stil liggen), en we moesten er alleen aan denken om hem morgenochtend vroeg weer aan te zetten.


Routes

Dit is de route die we op het land tijdens de excursie gereden hebben:

Dit is de route die we vandaag gevaren hebben:



free counters