Dinsdag 30 april: Dakar, Senegal – 137 km gevaren

We hebben best slecht geslapen, en het was ook weer warm in de hut, dus het was een onrustige nacht. Maar we kwamen vanochtend in ieder geval zonder vertragingen netjes op tijd Dakar invaren. We zetten om 6:45 onze bagage in de gang, en ging daarna gelijk naar boven om te zien hoe we de haven in voeren. Alles ging zo snel en voorspoedig, dat we er al bijna waren: we waren nog net op tijd om het aanleggen en aanmeren te volgen! We hebben toen nog even gauw wat ontbeten, voor we ons favoriete plekje opzochten bij de grote ramen. We moesten namelijk nog wel wachten tot de douane aan boord was en alle administratie afgehandeld was... En we kregen na een maand eindelijk weer onze paspoorten terug, vol stempels! Helaas waren de stempels wel allemaal heel simpel: meestal enkel een “in” en “uit” stempel. Geen mooie pagina-grote visa’s – aan de andere kant hebben we daar wel totaal een paar dagen aan bureaucratie mee uitgespaard!



Om 9 uur was alles geregeld en ingeklaard en mochten we aan land. Vanavond vlogen we dan wel naar huis maar tot die tijd stond er nog veel op het programma: eerst een bezoek aan het nabijgelegen en autovrije Gorée Island, een mooi en kleurrijk eilandje van zo’n 900 bij 300 meter groot. Zoals zo veel strategische plekken langs de westkust van Afrika had Gorée een lange geschiedenis van slavenhandel en wisselde het regelmatig van eigenaar. De Nederlanders hebben hier sinds de 17e eeuw een aanzienlijke tijd doorgebracht, maar het is ook eigendom van de Engelsen, de Portugezen en de Fransen geweest... Hierdoor is de bouwstijl van het eiland rommelig, kleurrijk en afwisselend geworden, wonen er christenen en moslims, en voelt het precies als een eilandje in de middellandse zee, terwijl er ook sterk Arabische invloeden zijn. De naam Gorée komt zelfs van het Nederlandse Goeree Overflakkee!



De ferry om het eiland te bereiken lag vlak voor de MS Expedition, dus we konden zo naar buiten lopen, onze bagage die inmiddels al op de kade stond aanwijzen zodat die in de truck gezet kon worden, en instappen in de ferry... Het viel ons tijdens deze korte wandeling op dat al die vele voertuigen in de haven duidelijk tweedehands waren, geïmporteerd uit de rest van de wereld en bedoeld waren voor andere delen van Afrika: er stond vaak een sticker op met de haven waar het Afrika binnenkwam, en het land waar het naar toe moest. De ferryoversteek was kort, en het was een mooi gezicht om terug naar Dakar te kijken en vooruit naar Gorée terwijl we het eiland benaderden.



Bij aankomst moesten we in het haventje eerst even een verplicht praatje aanhoren van de lokale gidsen, terwijl de verkoopsters al op ons af kwamen met hun waar en kleurrijke jurken! Na het praatje in de brandende zon werden we in twee groepen gesplitst – om elkaar allemaal niet teveel voor de voet te lopen op het kleine eilandje: iedere groep van 50 man had 2 gidsen. Tja, naar ons idee niet de meest efficiente manier om een grote groep op te splitsen als je 4 gidsen hebt, maar ach... Hans en ik probeerde er gewoon voor te zorgen dat we altijd voorop liepen met de gids, dan kon je nog weleens een plaatje schieten zonder een horde toeristen ervoor!



Onze gidsen waren gelukkig ook van stevig doorstappen en brachten ons eerst via mooie smalle weggetjes langs felgekleurde huisjes en vele bloemen naar het “maison des esclaves”, het slavenhuis. Blijkbaar een verzamelplek voor slaven voordat ze verscheept werden naar Amerika, met op de begane grond de kerkers en op de eerste verdieping de vertrekken van de gouverneur. Deze theorie is echter niet bevestigd en waarschijnlijk had het gebouw helemaal niet de functie van een doorgeefluik van slaven – het is echter in ieder geval wel een van de oudste gebouwen op het eilandje, waarschijnlijk wel belangrijk geweest in de handel (echter niet de SLAVENhandel), en niettemin een mooi gebouw met mooie hoekjes en een hele mooie ronde trap. Het leukste was dat er grote roofvogels, “kites” in het Engels, rondom ons vlogen en soms heel dichtbij kwamen terwijl ze op de luchtstromen boven het eiland dreven. Dat gaf gelijk ook wat afleiding van het urenlange praatje van de lokale gidsen – met een zwaar Senegalees accent was het ook eigenlijk te moeilijk om te volgen, dus Hans probeerde foto’s van de vogels te maken terwijl ik mens-vrije shots van het gebouw probeerde te maken (misschien nog wel moeilijker dan vogels fotograferen, met 50 man in zo’n klein gebouwtje!)...



Na het slavenhuis werden we naar een piepklein pleintje in pastelkleuren geleid, waar een grote baobab stond die vrijheid symboliseerde volgens mij – er waren veel baobabs op dit eilandje! Een aantal ondernemende verkoopsters hadden het vanaf het aanmeren in het haventje op onze groep gemunt en volgde ons rond op het eiland: ze namen geen “nee” als antwoord en bleven zelfs bij Hans en mij aandringen – terwijl de meeste verkopers al gauw opgeven bij ons! Een dame in een roze jurk had mij persoonlijk uitgekozen en ondanks dat ik probeerde uit te leggen dat ik echt niets meer ging kopen moest ik beloven dat ik voor we vertrokken nog even langs haar winkeltje zou komen... Ik dook na een tijdje al weg als ik haar zag aankomen, ze was bijzonder doortastend!



Na een paar mooie pastelkleurige laantjes doorgelopen te hebben kwamen we bij het kerkje, mooi geel geschilderd. De kerk was nog gesloten, dus terwijl de gids even een praatje gaf op het pleintje keken wij nog wat rond. We zouden hier later terugkomen als de pastoor gevonden was om de kerk open te doen zodat we binnen konden kijken.



Onze gidsen loodsden ons nu richting de ruïne op de heuvel: hier waren blijkbaar scenes van de film de “guns of Navaronne” geflimd. Tegenwoordig een beetje moeilijk voor te stellen omdat het een artiestendorpje geworden was, maar je kon nog wel zien dat het eiland strategisch belangrijk was geweest tijdens de Tweede Wereldoorlog en de ruïne op de heuvel vol bunkers en afweergeschut stond. Hans had niet zo’n zin om rond te sjouwen, hij stond lekker te kletsen met wat medepassagiers, dus ik heb de kunstenaarshuisjes verkend – veel van de kunstenaars hadden bunkers en afweergeschut bewoonbaar gemaakt en versierd met kunst gemaakt van afval. Ik heb nog wat gesprekjes gevoerd met een aantal van de verkopers, die wel wilde weten wat zo’n grote kudde toeristen opeens op het eiland deed, en onder de indruk waren van het feit dat we echt helemaal vanuit Zuid-Afrika langs de westkust hadden gevaren.



Via een mooi knalgeel steegje vol bouganvillea struiken in allerlei kleuren liepen we terug naar het kerkje die inmiddels wel open was. Het was wel een apart kerkje want het leek een gereformeerd kerkje van binnen zoals we in Nederland ook wel kennen, die naderhand in een katholieke kerk veranderd was. Op zich zou dat ook best goed kunnen, aangezien de Nederlanders een belangrijke invloed hadden op het eiland in het verleden. Langs andere kleurrijke steegjes liepen we naar de vrouwen-cooperatief op het grote centrale plein. In deze steegjes zagen we mooie huizen, een schooltje met schoolkinderen die helemaal door het dolle heen waren van alle toeristen die hen afleidde van hun lessen, en een man met een waanzinnige regenboog-tuniek aan die ons naar zijn kunstgalerij uitnodigde.



De vrouwen-cooperatief was het hoofdkwartier van alle verkoopsters, dus we werden nu pas echt belaagd door dames die ons hun waar wilden verkopen. Het kostte ons al onze markt-ervaring om langs de dames te komen, en het was een drukte van jewelste in het gebouwtje, met allemaal kleine stalletjes die als kasten open konden vouwen en propvol met kunstnijverheid stonden. Wel erg leuk om te zien! En ik heb op deze reis nog niet zulke fanatieke verkoopsters als de dames van Gorée gezien; want als ik het gesprek probeerde af te leiden door (oprechte) complimenten te geven over hun prachtige kleurrijke jurken werden mij al gauw zelfs hun eigen jurken te koop aangeboden! We hadden hier wat vrije tijd gekregen om de lokale economie te sponsoren, dus op een gegeven moment zijn Hans en ik maar gaan zitten en om ons heen kijken. De vrouwen waren vaak erg sympathiek, maar werden geïrriteerd als je probeerde foto’s van ze te maken – en als je het vroeg, dan weigerde ze ook heel vaak. Jammer, want ze hadden echt zulke mooie kleurrijke jurken aan!



Nadat er voldoende gekocht was bij de coöperatief werden we naar het mooie Estrées Fort aan de andere kant van het eiland gebracht. Dit fort is van binnen net een donut: een ronde binnenplaats en daaromheen een ring van ruimtes. De ruimtes waren als museumpje van het eiland ingericht, en terwijl de groep nog even een welkomstpraatje kreeg van de gids van het museum, ben ik gauw door de nog lege ruimtes gewandeld om een indruk van het fort te krijgen. Er vlogen weer wat kites boven onze hoofden, en het uitzicht over zee vanuit de bovenste laag van het fort was erg mooi.



Inmiddels was het 12 uur en zijn we naar een tentje aan de haven gegaan voor een nogal grote uitdaging: 100-plus man een warme lunch voeren voor 13:30, want dan ging onze ferry weer terug naar Dakar! We kregen een lekker groot boord sla en rijst met kip, al geloof ik dat niet iedereen te eten kreeg, want het was natuurlijk weer een hele ingewikkelde logistieke onderneming voor zo’n tentje... De porties weken ook enorm af van elkaar – zo kreeg de tafel achter ons 2 kippepoten, en wij maar een. Maar die kippepoten waren zo groot dat we al lang blij waren dat we er maar ééntje kregen! Het was een eenvoudige maar erg lekkere maaltijd, en onze tafel had nog precies tijd om het hoofdgerecht op te eten en even heel gauw naar de wc te gaan voordat de rest van de kudde in beweging kwam, voordat we al weer richting de haven moesten gaan om onze ferry te halen...



Er was wat deining toen we terug voeren en de zon brandde op onze hoofden dus we waren al lang blij dat we op de ferry een beetje in de schaduw konden staan. In de haven van Dakar aangekomen was de MS Expedition al weer vertrokken, en stonden bussen klaar voor de stadstour.



De stadstour duurde 3 uur, wat wel een beetje lang was, maar het was vooral leuk om de drukte op straat te zien. En we zagen dat Dakar een zeer welvarende stad is vergeleken met de meeste steden waar we geweest zijn op deze reis. Je merkt ook dat je op het grensgebied van het Arabische Noord-Afrika begint te komen: het is nog wel West-Afrika, maar meer met een Arabische sfeer eraan, je waant je soms al bijna boven de Sahara.



Net buiten de stad hebben we een vreselijk lelijk en enorm groot monument bezocht (brons, van Koreaanse makelij, en wanstaltig duur…): het “African Renaissance Monument”, oftewel het moment voor de wedergeboorte van Afrika. In een woord: lelijk! Er werd na het monument nog gestemd of we naar een zandschilderatelier wilde gaan (sommige mensen, waaronder ons, moeten vanavond nog een vlucht halen), maar op de een of andere manier is dit toch doorgegaan... Ach, het was best grappig om eens gezien te hebben!



Als afsluiter zijn we nog naar een souveniermarkt gebracht. Je zou onderhand denken dat iedereen zijn geld al opgemaakt heeft, maar er was onder onze medepassagiers nog voldoende geld over om ook de Senegalese economie te sponsoren... De souveniermarkt was erg Walt Disneyachtig, met rieten hutjes als stalletjes, veels te gelikt. Wat wel leuk was, was dat Hans opeens in een verborgen hoekje een doorkijkje ontdekte waar we uitkwamen op een rommelige binnenplaats, waar houtsnijwerken gemaakt werden. Er zaten allemaal mannen druk te werken aan beeldjes, tussen bergen houtsnippers en zaagsel, en eentje stond grote blokken ebbenhout in kleinere stukken te zagen – wat een enorm zware klus was, omdat het hout zo dicht van structuur is. We vroegen of we mochten blijven kijken, en dat was geen probleem, de mannen leken het zelfs wel een welkome afwisseling te vinden en eentje wierp zich op als een soort van tolk om uit te leggenwat we deden. Er werd nog wat halfslachtig geprobeerd een beeldje te verkopen, maar dat leek meer voor de vorm te zijn. En we mochten zelfs toen we het vroegen wat foto’s maken (daar zijn ze hier in Senegal namelijk niet kapot van)! Nadat we hier uitgekeken waren zijn we aan de overkant van de straat nog een winkeltje ingestapt die echte antieke beeldjes en maskers verkocht.



Inmiddels was het al 16:30 en begonnen Hans en ik lichtelijk zenuwachtig te worden, aangezien wij al weer om 18 uur richting het vliegveld moesten gaan! Maar na de markt gingen we dan eindelijk toch richting het hotel...



Rond 17 uur kwamen we aan bij het hotel, en toen werd het chaos. Er was totaal geen regie, totaal geen uitleg, totaal geen plan. Er werd geen rekening gehouden met het feit dat sommige mensen, zoals wij, al diezelfde avond wegmoesten, en iedereen werd aan zijn lot overgelaten. Er stonden dus grote rijen te dringen bij de receptie, en grote rijen bij een grote ruimte achter de balie waar de bagage was opgestald, waar men al stond om zijn bagage op te halen, maar dat waren allemaal mensen die gewoon die nacht in het hotel bleven, die hoefden helemaal niet door! Wij moesten in een uur tijd onze bagage vinden, ons omkleden, en ons klaarmaken om te gaan vliegen… Toen ook nog eens bleek dat vanuit het hotel de eerstvolgende mogelijkheid voor een shuttle naar het vliegveld pas ergens rond 19:15 uur was, en de hoofd-expeditieleider gestressed als een kip zonder kop rondliep en ons probeerde te sussen en min of meer doodleuk vertelde dat we onze (overigens inbegrepen) transfer maar zelf moesten regelen, werd het ons te veel en ontploften we.



We werden bijgestaan door een aantal medepassagiers, en na een stevige discussie met de hoofd expeditieleider konden we dan voorrang krijgen bij de kofferkamer om onze bagage uit te zoeken, en kregen we zelfs 20 dollar toegestopt voor de taxirit. Pfffff. We hebben ons gauw omgekleed, gauw nog wat gedronken, afscheid genomen van de medepassagiers en expeditieleiders waar we veel mee opgetrokken hadden en toen konden we al weer gelijk doorracen naar de taxi naar het vliegveld.



De taxirit was dwars door Dakar en een belevenis op zich: een wat ouder mannetje kwam ons ophalen die geen woord Engels sprak, alleen Frans. Hans had al bij de receptie gevraagd hoeveel zo’n taxirit naar het vliegveld moest kosten voor ons tweeën: 6000 CFA oftewel 12 dollar ongeveer. Mooi zo. Hans vroeg dus ook toen we onze bagage in de kofferbak van de taxi stopte hoeveel de rit zou kosten, en het mannetje zei inderdaad 6000 CFA. Maar toen we vroegen hoeveel dat in dollars was deed hij alsof dat te ingewikkeld was om zo te zeggen en gebaarde dat dat straks wel goed kwam. Jaja, dat wordt lastig, dat wisten we al. Maar goed, we zien wel! Het was spitsuur en het was stervensdruk op straat: zo druk dat de taxichauffeur op een gegeven moment de kofferbak en deuren op slot deed, want we stonden gewoon volledig ingesloten. We hebben nog genoten van alle stalletjes op straat en hun creatieve uitstallingen; zoals een schoenenstalletje die een heel kunstwerk had gemaakt van allemaal individuele linkerschoenen op een vluchtheuvel...



Bij het vliegveld aangekomen vroeg Hans nogmaals hoeveel de taxirit nu in dollars zou kosten. Het mannetje deed even druk op een rekenmachine tikken en liet ons 45 dollar zien!!! We gingen er gewoon van lachen, en Hans had de geest te pakken en deed in vloeiend Frans betogen dat de vent ons aan het belazeren was en dat 6000 CFA 12 dollar was, plus dat de receptie had gezegd dat de rit 12 dollar zou kosten en we hem bereid waren 15 dollar te geven, daar mocht ie al heel blij mee zijn. De taxichauffeur deed zich eerst nog voor als onschuldige ondernemer en probeerde nog met 30 dollar (zogenaamd omdat het 2 keer 15 dollar voor ons tweëen was), en wilde ons uiteindelijk wel matsen met 25 dollar… Maar Hans hield de poot stijf en gaf aan dat de vent niet meer dan 15 dollar zou krijgen. We waren onderhand al uitgestapt om ons argument kracht te geven, maar ondertussen was de kofferbak nog wel steeds op slot! Gelukkig deed de chauffeur op een gegeven moment maar de kofferbak open, nog altijd 25 dollar eisend, waarop we gewoon onze bagage gepakt hebben, hem de 15 dollar toegeworpen en enigszins verhit de verkeerde kant opgelopen – maar gelukkig waren er bijstaanders die ons de juiste ingang naar het vliegveld wezen! Pffff... This is Africa geloof ik!



Op het vliegveld was het heerlijk rustig na al die drukte van het hotel en de taxirit, en nadat we heel onze doopseel ingevuld hadden voor de douane konden we doorlopen. We werden wel nog even door een gitzwarte militair die ons paspoort wilde bekijken en, toen hij zag dat we Nederlanders waren, vrolijk zei dat we vandaag een nieuwe koning kregen! Goh, dat zulk nieuws zelfs tot in Senegal reikt? Nu zitten we in de vertrekhal gefascineerd te kijken terwijl een constante stroom mannen een voor een richting Mekka staan te bidden in een hoekje. Er zijn maar een paar matjes beschikbaar dus ze gaan om beurten... En sommige mannen gingen zelfs meerdere keren in de tijd die wij daar zaten!



Routes

Dit is de route die we op het land gereden hebben:

Dit is de route die we vandaag gevaren hebben:



free counters