NOVEMBER 2016: VULKANISCH ETHIOPIË

Toen ik eenmaal rond een uur of 2 ’s nachts geen diarree meer had, voelde ik me ook gelijk een stuk beter. Maar ja, toen kon ik eindelijk gaan slapen en begon iets na 4 uur de moskee in de buurt met een onheilspellend gedeclameer, en om 5:30 nog een keertje, dus dat schoot niet echt op. Ik kwam niet echt meer in slaap, en we moesten nog onze spullen herinpakken, dus om 6:30 ben ik er even uitgegaan (Hans was ook rusteloos) en heb onze bagage zo ingericht dat we alle vuile was, en zo veel mogelijk van de kampeerspullen, in een tas konden stoppen en die tas niet meer open hoeven doen tot we thuiskomen. Dat zou lekker stinken als we weer thuis zijn! Daardoor kon ik de wekker een half uurtje later zetten en konden we blijven soezen tot 8 uur.


Om 8 uur zijn we opgestaan en gaan ontbijten, en de ober, en kort daarna Enku, kwam al gelijk vragen hoe het ging; de ober had natuurlijk gemerkt dat mijn bord niet aangeraakt was en ik verdwenen was, en Enku had me schijnbaar naar boven zien rennen en was me nog even een paar stappen achterna gegaan maar besloot me met rust te laten. Dus ze waren wel bezorgd! Toen ik vertelde over het overgeven en diarree en dat ik me nu slap maar op zich veel beter voelde, stelde Enku voor om wat bananen te halen voor me als diarree-remmer en energiegever. Dus hij is gelijk naar een stalletje gelopen en was binnen 5 minuten terug met een trosje kleine zoete bananen, en ik heb als ontbijt wat toast met jam genomen. Hans had wentelteefjes; niet helemaal precies zoals je zou verwachten, grote hompen brood, maar wel best lekker schijnbaar. En om te drinken vroegen we om thee, toen vroeg de ober of we “spicy tea” wilde? Die kaneelthee? Ja knikte de ober. Ja lekker, doe maar. En deze bleek nog lekkerder te zijn dan die van Meski, want dit was een kruidige thee van kaneel en kruidnagel; erg lekker, zeker met wat suiker erin! We namen er dus lekker twee, terwijl Enku zat te lachen dat we het zo lekker vonden. We krijgen er alleen altijd een zakje zwarte thee bij, dus we vragen ons af of het misschien de bedoeling is om die zwarte thee er nog bij te doen; lijkt ons zonde, dit is zo al erg lekker.

Ik liet tijdens ons ontbijt Enku wat foto’s zien van de Ethiopische sieraden die ik geërfd had van mijn grootouders, en daar was hij begrijpelijk wel van onder de indruk; met name de koperen armbanden vond hij mooi, die waren zo origineel, prachtig. Dus ik heb hem ook wat van mijn andere kettingen die ik van Afrika heb laten zien, en dat vond hij ook heel bijzonder. Om 9 uur vertrokken we; de portier van dit hotel had een stukje flexibele metalen buis zoals je onder het aanrecht kunt vinden in zijn handen – we denken als een soort knuppel om mee te slaan.

Er stonden vandaag twee rotskerken op het programma. Ethiopië is met name bekend om de rotskerken in Lalibela, en dat moeten hele bijzondere kerken zijn, uit de massieve rots gehakt en allemaal onderling verbonden, maar zoals ik het nu begrijp, is zo’n beetje het halve land doorspekt met rotskerken, en de oudste zitten in deze regio. En alleen al in deze regio, het gebied van het Tigrai volk, zijn er zo’n 120 rotskerken. Want schijnbaar is hier in deze omgeving de gewoonte oorspronkelijk ontstaan om kerken uit en in de rots te houwen, de eerste al eind van de 4e eeuw, en zijn de kerken van Lalibela veel jonger. Volgens Enku kon je er eigenlijk wel op rekenen dat in principe, zeker in dit gebied, iedere rode zandstenen rots wel minimaal één rotskerk zou bevatten, en zijn er drie varianten van een rotskerk; de monoliet, die helemaal vrijgemaakt is van de rots waar hij uitgehakt is, de semi-monoliet, die uitsteekt uit de rots maar er nog aan vastzit, en kerken waarbij ze nog helemaal in de rotswand zitten.


Vlak buiten de stad sloegen we van de asfaltweg af naar een stoffige gravelweg de bergen in. De rit naar de kerken was erg mooi, door heuvelachtig platteland met mooie rotsen en waar overal boeren druk bezig waren hun gewassen met de hand te oogsten of met koeien te dorsen – 5-6 koeien naast elkaar moeten rondjes blijven lopen op het graan. Men hecht hier in Ethiopië erg aan de traditionele manier van dingen doen, en dat zie je. Zelfs de mensen hier op het platteland lijken een beetje tijdloos; de mannen in vaalkleurige pakken met een doek van dikke ruwe katoen over de schouders geslagen en hun stok op de nek gesteund waar ze tijdens het lopen hun polsen op rusten, de vrouwen in kleurrijke gewaden met een hele fijngewoven bijna doorzichtige witte katoenen doek met kleurrijk geborduurde randen losjes over hun schouders, een kind op de rug, en het haar in kleine strakke vlechtjes over het hoofd gevlochten tot het achterhoofd, waar het allemaal los mag pluizen. Best mooi!

Rond 9:30 kwamen we aan bij de eerste rotskerk; de Abreha Atsbeha kerk oftewel kerk van de twee gebroeders (ik heb Enku het laten spellen!), een semi-monolithische kerk, en een van de alleroudste van Ethiopië. Het lag prachtig in het landschap, met een mooie trap en een enorme vijgenboom die ernaar toe leidde. Een non zat op de trap van het ochtendzonnetje te genieten, en de priester moest komen om de kerk open te maken voor ons. Het voorportaal van de kerk was redelijk recent pas gebouwd, door de Italianen, maar daarachter lag de oorspronkelijke rotskerk helemaal uit een stuk in de vorm van een Grieks kruis (alle armen even lang) uit rood zandsteen gehakt, en aan de achterkant nog verbonden aan de bergwand.

De priester begroette de kerkdeuren voor hij ze openmaakte en binnenin waren de muren bedekt met Bijbelse taferelen in typische Ethiopische stijl; met de grote ogen en enigszins naïef-aandoende mensfiguren en felle kleuren en dikke lijnen. Enku vertelde dat als een figuur allebei de ogen zichtbaar had, hij “goed” was, en als hij “slecht” was (zoals de duivel of zondenaars) er altijd maar één oog zichtbaar geschilderd werd. Apart, dat wist ik niet! De priester zong een gebed voor ons om te laten zien hoe de rammelaars en “wandelstokken” gebruikt werden die bij de entree voor het pakken lagen, en daarna konden Hans en ik even rondkijken in het kleine maar toch wel aparte kerkje. Niet iets waar we per se naar toe gehoeven hadden – deze reis is namelijk wel “klaar” voor ons, ons doel was de vulkaan en het Dallol gebied, en dan is de rest toch eigenlijk allemaal invulling van de tijd – maar zeker best leuk om rond te lopen en te zien nu we er zijn! Zeker voor mij, de rotskerken van Ethiopië, en de schilderstijl, ken ik vanaf kinds af aan van afbeeldingen en fotoboeken van mijn grootouders en mijn moeder, en dan heeft het toch wel iets bijzonders om er zelf te zijn; dan denk ik haast dat ik zo’n klein en eenvoudig landelijk rotskerkje nog wel leuker vind dan de grote en ongetwijfeld erg toeristische kerken van Lalibela. Er lagen in een hoekje dezelfde soort kamelenharen kleden als ik bij mijn grootouders en van mijn moeder kende. Het middelste gedeelte van de kerk was helemaal afgesloten met gordijnen en doeken, hier mocht alleen de priester komen.

Toen wij klaar waren binnen en naar buiten gingen kwam een vrouw over het terrein aanlopen op haar blote voeten met twee lange kaarsen in haar hand en een mooie ornate zijden parasol zoals in Ethiopië bij processies en feesten gebruikt wordt. Ze liep in zichzelf gebeden prevelend naar de drempel van de kerk waar ze de kaarsen en de parasol neerlegde en kuste de drempel, en liep toen naar het gebouwtje van de priester om door hem gezegend te worden en een donatie aan de kerk te doen. Enku legde uit dat zij waarschijnlijk een wens had gedaan en beloofd had naar deze kerk te komen met deze attributen als haar wens uit zou komen, ze was dus op bedevaart om te bedanken voor het uitkomen van haar wens. Ze is niet eens de kerk in geweest ondanks dat ze een lange reis achter de boeg had; die was al door de priester afgesloten toen wij eruit waren, maar dat hoefde volgens Enku niet, het gehele terrein van de kerk was heilig dus alleen al het terrein betreden was eigenlijk al alsof je voor het altaar zelf stond. Haar dochter stond haar op te wachten aan de top van de trap langs de vijgenboom naar beneden, met haar handtas en schoenen – het hele ritueel heeft misschien maar 5-10 minuten geduurd en toen liep de vrouw al weer met haar dochter naar beneden!

Het ene nonnetje was opgestaan en wandelde nu al keuvelend met een vriendin langzaam de trappen af, en wij gingen door naar de volgende stop. Onderweg naar de volgende kerk stopte we om fossielen te zoeken langs de weg; het kostte even moeite om te zien waar we naar moesten kijken maar op gegeven moment vonden we de eerste schelp in het witte gesteente, en al gauw zagen we meer. Altijd leuk zoiets!

Bij een aantal veldjes waar er druk gedorst werd door een gezin vroeg Hans om een fotostop om het dorsen, wat we in dit gebied al af en toe gezien hebben, eens goed te kunnen fotograferen. De koeien waren aan elkaar gebonden en werden gedwongen om rondjes te lopen over het graan, dat een mengsel van graansoorten bleek te zijn. Enku vroeg aan de boer hoe lang het duurde om één hoop te dorsen, en dat was een volle dag. Pfffff, wat een werk! Wel heel bijzonder om zoiets te zien. Je waande je zo in een andere tijd.

We waande ons pas echt in de middeleeuwen toen we rond 11 uur bij de tweede kerk kwamen, aan de rand van Wukro gelegen. We bezochten hier weer een semi-monolithische rotskerk, Wukro Kirkos of Wukro Chirkos, mooi gelegen in een klein pleintje tussen oude bomen. De priester die tevoorschijn kwam uit een klein gebouwtje op het terrein leek even oud te zijn als de kerk zelf, met een zwaar gerimpeld gezicht, rommelige baard, prachtige gele gewaden en een zwarte muts, een grote rozenkrans en zilveren kruis in zijn handen, en een bril zo dik dat hij enorme uilenogen kreeg! Hij liet Enku zijn hand kussen, opende de deur naar de kerk en begon een serieus gebed te houden voor het altaar; daarbij vergeleken had de andere priester alleen even halleluja gezegd. Het kerkje was mooi maar helaas een beetje gehavend door waterschade aan het dak, en je zag op het plafond nog de sporen van een brand honderden jaren geleden.

Toen we binnen uitgekeken waren nam Enku ons mee de heuvel op waartegen (en waarván) de kerk gebouwd was, langs een kleine begraafplaats bij de kerkmuren, en zo konden we op de achterkant van de kerk praktisch op het dak stappen. In de rotsondergrond waren tekens gekrast en het dak was tientallen jaren geleden grondig gerenoveerd, maar al weer toe aan een opknapbeurt want de struiken die eruit groeide waren behoorlijk groot!

Om de kerk heen lopend en terug naar beneden aan de andere kant kwamen we langs een paar huisjes voor nonnen, die net klaar waren met het prepareren van voedsel dat ze van kerkgangers gekregen hadden als aalmoes; met name oude injerapannenkoeken, die ze in stukjes scheurde en op een doek lieten drogen zodat ze er later pap en zo van konden maken. Brrrrrrr, je rook de zurige geur van de pannenkoeken! Er waren wat gedenktekens bevestigd tegen de muren van de huisjes en wat graven er omheen.

Terug beneden zat de oude priester haast te poseren zo mooi dat hij erbij zat terwijl hij genoot van het zonnetje! We hebben hem nog even gegroet en liepen terug naar de auto. Onderweg kwamen drie jongetjes ons achterna, nieuwsgierig naar ons, alle drie hadden een duidelijk kruis op hun voorhoofd – waarschijnlijk met een scheermesje of zo in de huid gekrast en als litteken laten helen. Ongelofelijk! Het Danakil gebied waar wij eerder waren, was overwegend bevolkt met Afar, die moslim zijn, hier is men overwegend Tigrai en dus Ethiopisch orthodox christen. Mensen schilderen sikkels plus sterren of kruizen op hun huis om aan te geven welke religie ze hebben, en de christenen hier doen dus ook vaak een kruisje op hun voorhoofd tatoeëren of insnijden zodat het een levenslang litteken wordt.

Rond 12 uur waren we terug in het hotel, waar we even naar de kamer konden om op te frissen en daarna terug naar beneden om te eten. Lunch was in het hotel, traditioneel Ethiopisch, en Hans en ik hebben ons best gedaan maar krijgen steeds meer behoefte aan westers eten; de Ethiopische keuken is best lekker, maar ze houden van pittige en zure smaken (en geit) en daar staat je smaak niet altijd zo naar, en de grijze sponzige zurige injera pannenkoeken waar alles op ligt zien er gewoon ook niet zo heel appetijtelijk uit…

Rond 13 uur waren we klaar met eten en konden we terug naar onze kamer. De middag was vrij en is besteed aan hard nodig rusten: alle vermoeidheid van de afgelopen dagen overvalt ons nu echt, Hans was ook een beetje trillerig vanmiddag. Het volledige gebrek aan privacy was ook zwaar geweest de afgelopen dagen – niet dat we er zo’n erg in hadden tijdens de afgelopen week, gelukkig! Maar toen we eenmaal in onze kamer in dit hotel kwamen en voor het eerst in 8 dagen weer helemaal alleen met zijn tweetjes waren, besefte we ons opeens dat we weer privacy hadden (los van de matglazen deur van de kamer, wie verzint dat nou weer in een hotel?!). Daarom vonden we dat we het lekker verdiend hadden om vanmiddag op onze kamer te blijven!

Om 19 uur gingen we naar beneden naar het restaurant en vroegen we om de kaart, en wonder boven wonder bleek er een kleine selectie westerse gerechten te zijn! Precies waar we zin in hadden en behoefte aan! Dus we hebben lekker (lijkt op) spaghetti carbonara en (lijkt op) kalfsvlees met paddestoelensaus en friet genomen – het is natuurlijk nooit precies wat je verwacht hier in Afrika. We hebben gesmuld, precies waar we zin in hadden! Dit is duidelijk een goed hotel, want een UN-delegatie verblijft hier ook; de nacht portier stond ook wacht bij de deur met een slaan-buis. Hans voelde zich niet helemaal 100% vandaag, ik voelde me gelukkig een stuk beter en kan in ieder geval weer eten, al werd ik wel een beetje misselijk van alle knoflook in het eten! Na het eten heb ik nog even lekker gedoucht, Hans kroop ondertussen rond 21:20 al total loss in bed, hij was doodop en viel al gauw in slaap. Ik heb nog even het blog bijgewerkt en ben toen ook gaan slapen.

free counters