We hebben beter geslapen maar het heeft heel de nacht gedruppeld. Gelukkig zijn de tenten goed water- en winddicht en staan ze altijd stevig, want de ijzige wind ging soms flink te keer vannacht. We slapen wel een stuk beter dan een tijdje terug, en het was merkbaar minder koud gelukkig vanochtend. Hans heeft vannacht in een leeg flesje geplast want hij had geen zin om eruit te moeten in het donker, de wind, regen en de kou! We hoorde op gegeven moment zelfs een of twee donderklappen in de verte aan het begin van de nacht… We stonden om 6 uur op, en buiten was het gelukkig niet echt koud, maar er blies wel een gure wind en de lucht was gitzwart. Brrrrrrr, dat zou een slechte dierendag worden!


We hebben ons geïnstalleerd bij het kampvuur met een kop thee nadat we onze spullen uit de tent gehaald hadden zodat de mannen de tent konden opbergen, en een beetje gekletst tot het tijd was voor het ontbijt om 7 uur. Het is niet storend, maar als je zo een weekje of tien dagen in de bush bivakkeert ruikt al gauw alles wat je hebt naar kampvuur; we ruiken het ook altijd sterk als we thuiskomen en de tassen openen om de vuile was eruit te halen!

Om de mannen tijd te geven om het kamp af te breken en op te ruimen, zijn wij en de andere twee stellen onafhankelijk van elkaar alvast een beetje richting de hoofdingang gaan rijden. Er was onderweg niet zo heel veel te zien aan wild, alleen de donkere luchten, en Hans en ik besloten eens naar het hoofdkamp op de heuvel te rijden, wat de Engelsen ook van plan waren. Er was een serieus anti-olifanten hek om het kamp, met stroomdraden op de weg om ze tegen te houden; slik!

Het hoofdkamp lag wel mooi, tegen de bergen geplakt, en we hebben in het restaurant een kopje thee genomen, nadat we de leestafel een beetje schoon hadden geblazen, die was namelijk heel erg stoffig. Het was miezerig en koud dus lekker om even op te warmen, en na wat kletsen en in het winkeltje rondgekeken te hebben (er was wat khaki kleding maar niets in Hans zijn maat, allemaal best duur, en de vrouwenkleding zoals altijd zeer onpraktisch want zonder goede zakken…) zijn we op ons gemak richting de hoofdingang gereden.

Onderweg kwamen we weer langs de boom met het impalakarkas, die duidelijk weer een stuk verder aangevreten was; Frank vond het geweldig dat het zo dicht en zichtbaar langs de weg was toen we hem erover hadden verteld, en zei dat de luipaard van wie het karkas echt zeker te weten in de buurt moest zijn – maar die ging zich met dit miezerweer al helemaal niet meer laten zien denk ik, al hebben we er weer goed voor gekeken!

Iedereen verzamelde zicht bij de hoofdingang en toen we allemaal zover waren vertrokken we in konvooi, met lichten aan en radio’s bij. Het was een mooie rit binnendoor ondanks de regen, miezer en nattigheid overal: we reden op gegeven moment zelfs een tijdje in de mist en nevel. Het was ‘s ochtends zelfs 7 graden tijdens het rijden volgens iemand die een thermometer had! Op gegeven moment reden we langs het belangrijke Zulu-slagveld Ondini Hills, waar Hans en ik nog net een paar monumenten zagen en zelfs konden fotograferen; een obelisk voor de Zulu-krijgers, en een klein stenen gebouwtje met koepeldak voor de Engelse soldaten.

Ons doel was Umfolozi, een mooi ruig natuurlijk park dat eigenlijk tegenwoordig grotendeels verantwoordelijk is voor het behoud van de neushoorns in de wereld. Want toen de witte neushoorns overal ter wereld uitgestorven waren door jagen in de 19e eeuw, ontdekte men hier in dit voormalige jachtterrein van Shakazulu, de grote Zulu koning, dat er nog een genetisch gezonde populatie van minstens 45-50 dieren was, en is van daaruit de witte neushoorn teruggebracht naar vele duizenden dieren wereldwijd. Later is iets vergelijkbaars met de zwarte neushoorns gedaan, en al zijn die laatste met name nog vreselijk bedreigd, hier in Zululand (en een speciaal reservaat in Botswana, Khama Rhino Sanctuary waar we in 2008 geweest zijn) ligt schijnbaar de toekomst en het overleven van de neushoorns. Hier worden neushoorn-stropers dan ook op zicht doodgeschoten als ze zichzelf niet overgeven.

We kwamen bij de hoofdingang aan van Umfolozi, met een groot zwaar stalen hek dat openschoof en een kantoortje dat bijna leek op een bunker. Na een van de meest uitgebreide registraties van onze gegevens die we ooit voor een natuurpark gehad hebben in Zuid-Afrika (vermoedelijk vanwege de neushoorns), konden we even naar de wc in het kantoorgebouwtje – gloednieuw zo te zien maar de wc’s stonden droog. Ondertussen hadden Sanana en Rooijan de lunch klaargezet op een tafeltje in het enorme portiek van het kantoor, en konden we een beetje bibberend onze broodjes smeren en eten. Toen waren we vrij om te doen wat we wilde; Frank en Jock legde uit waar het kamp was, maar zouden het eerste stuk met ons meerijden, al was het ook gemakkelijk te vinden allemaal in het boekje met kaarten van wildparken in KwaZulu-Natal dat we aan het begin van deze tocht gekregen hadden.

We hebben een mooie route gereden van zo’n 50 km door het park. Er waren wel wat dieren maar die zagen er meestal koud en nat en ongelukkig uit; de impala hadden hun vacht helemaal opgezet om een beetje warm te kunnen blijven, en de gieren zaten sjagerijnig en hongerig in hun bomen (gieren hebben warme lucht nodig om de thermiek te kunnen gebruiken om hoog genoeg te vliegen om eten te zoeken). We namen allerlei kronkelpaden en Frank raadde ons aan om de twee hides te bezoeken waar hij vroeger toen hij hier in Umfolozi werkte graag en vaak kwam: “Bhejane”, oftewel zwarte neushoorn, en “Mpafa”, oftewel kamelendoorn; zo dicht aan zijn hart dat hij later zijn bedrijven ernaar genoemd heeft. Inmiddels heeft hij ook weer geld gepompt in het opknappen van de hides, en komt er nog altijd graag. Inderdaad mooie hides, maar het is vandaag gewoon helaas niet het goede weer om dieren te spotten! De Bhejane hide had trouwens een waterton staan voor de wc’s, en daaromheen een anti-neushoorn en/of olifant bescherming, een ring van ingemetselde scherpe stenen waar ze niet graag overheen lopen. Want zeker een olifant is bereid om alles te slopen om bij datgene te komen dat hij wil hebben, of het nu lekker eten is of water!

Frank en Jock hadden ons op gegeven moment alleen gelaten om Sanana en Rooijan, die in de logistieke auto vooruit gereden waren, te helpen met het kamp opzetten, Hans en ik reden nog een tijdje rond, via allerlei kronkelpaden, en zagen onderweg een havik die af en aan vloog op een schildpadden-karkas om er stukjes af te pikken die hij dan in de lucht uit zijn klauwen op at. Een bijzonder gezicht! Met een klein beetje zoeken want de afslag was heel bescheiden (maar duidelijk omschreven geweest door Frank) reden we naar het speciale bush kamp Gqoyeni (of Thumbu, dat is me nu niet zo duidelijk), die normaal niet toegankelijk is voor gasten; het stond dan ook niet aangegeven als zodanig.

Toen wij daar individueel aankwamen wezen Frank en Jock ons waar we moesten zijn; het is weer een speciaal kamp wat normaal niet geboekt kan worden, aan een riviertje en eigenlijk alleen bestemd voor parkwachters om te bivakkeren tijdens veldwerk. Wel is het erg comfortabel, met een keukengebouwtje, 4 tenten op platformpjes met matrassen erin, buitendouche en buiten-wc. Om het kampje zijn elektrische draden gespannen tegen de olifanten. Leeuwen, hyena’s en andere dieren kunnen er in principe wel komen… Sanana en Rooijan groette ons vrolijk en waren blij want dit kamp had een echte keuken, en waren al druk bezig te koken; we hadden zelfs een beetje stroom dus konden via wat verlengsnoeren en adapters wat camera-batterijen opladen – de garmin heb ik op de accu van Frank zijn auto kunnen opladen.

Het regende ondertussen regelmatig serieus, op gegeven moment moest Rooijan zelfs een geul gaan graven om te voorkomen dat het kampvuur verdronk! Hij had overal gietijzeren potten staan met kooltjes erop en eronder, en is daar heel creatief in volgens Frank. Tegen zonsondergang stopte de regen grotendeels, en in de schemer deed Jock nog even een korte rondleiding rond het kamp, met uitleg hoe de emmerdouche werkte en hoe je ’s ochtends de “donkey” kon opstoken indien nodig – hoewel die zo heet gestookt was dat dat waarschijnlijk amper nodig zou zijn, wat een hitte kwam eraf! En zo te zien hadden we ruim voldoende stookhout hier… Er lag een hele berg namelijk!

‘s Avonds zaten wij een beetje bibberend na het eten onder het afdakje van de bush-keuken met een kop thee om warm te worden en te kletsen. Er zat een zwaluw nest in het dak van de keuken, en ze vlogen af en toe recht op ons af terwijl we daar zaten. Het Engelse echtpaar, die misschien maar een paar minuten achter ons aanreden toen we het park inreden, hadden een heuse cheeta gezien, en iets later een olifant! Hans en ik waren erg jaloers, hoewel onze havik en sjagerijnige gieren ook wel mooi geweest waren.... Omdat het een reisdag was geweest zouden we eigenlijk geen toetje krijgen, maar Sanana had er niettemin toch eentje gemaakt; wat dat betreft het eten is echt heel goed! Hans en ik besloten om op stroopwafels te trakteren vanavond, het was er wel een goede avond voor met die miezer en kou. Ze waren alleen door de kou zo hard waren geworden dat ze knapte als je erin beet; toch vond iedereen ze heerlijk! Toen ik het zakje tevoorschijn haalde terwijl Hans vertelde dat we iets typisch Nederlands bij hadden voor bij de koffie, keek Jock geïnteresseerd op, en zodra hij besefte wat het was en er eentje kreeg gaf hij de meest fantastische enthousiaste oerkreet die ik een volwassen man ooit heb horen geven; iets in de trant van OEEEEEEAAAAAAHHHHHHHH! Hij kende stroopwafels dus duidelijk… En heeft er van staan smullen, het was in twee happen verdwenen!

We hebben ons toen het bedtijd was (iedereen ging vroeg naar bed, met de kou en miezer was er ook weinig aan om op te blijven want er was geen dier te zien of te horen!) geïnstalleerd in onze tent; wel lekker om op een matras te kunnen slapen, al was alles natuurlijk wel een beetje koud en vochtig. We slapen dan ook met onze T-shirts aan voor een beetje warmte. Er was geen dierengeluid te bekennen ‘s nachts, alles baalde duidelijk van de kou en regen!

free counters