AUGUSTUS 2017: NAMIBIË, ZAMBIA, MALAWI

Het is natuurlijk nog even wennen maar op zich hebben we niet slecht geslapen en was het een redelijk goeie nacht. De veldbedjes met daarop een matras zijn een uitkomst, erg comfortabel gezien de omstandigheden! Om 5:45 begonnen de kwettervogels weer, even een minuutje om elkaar (en ons) wakker te maken voor ze uitvlogen. We waren al een beetje wakker maar zijn dus ook maar opgestaan en hebben onze spullen uit de tent geruimd zodat de mannen van Namibia Unbounded de tent konden neerhalen en opruimen, voor we ons rond 6:30 bij het kampvuur installeerde met thee en wat ze “rusk” noemen: keihard gebakken koekjes met, als je geluk hebt, wat rozijntjes en zo erin. Ze zijn heel licht zoetig en vooral bedoeld om in je thee of koffie te dopen als een eenvoudige lichte opkikker ‘s ochtends.

Hans en ik nemen altijd een kilozak zoete zachte drop mee voor de bemanning en ze waren er ook dit keer erg blij mee – de meeste Zuid-Afrikanen kennen het wel en lusten het graag. Harry (die wij ondanks zijn ontkenning gisteren toch een beetje als de kok zien) kende drop goed en toen we vroegen of hij ook stroopwafels kende kwam er een soort oerkreet uit, “ouuuuuuaaaaa” die een klein beetje leek op die van Jock, onze gids in KwaZulu-Natal in 2016! Duidelijk dat hij die wel kende! Hij kende zelfs stroopkoeken, en begon al haast te watertanden bij de gedachte aan al dat Nederlandse lekkers.


Het echte ontbijt was om 7 uur klaar, pap (nog een beetje erg “al dente” naar mijn smaak!) in een gietijzeren pot gemaakt, en toast van het potjiebrood van gisteravond, vanochtend geroosterd op de kolen, met als beleg dingen zoals jam en pindakaas. De campinghond, die gisteren gelijk na aankomst was komen kijken wat er in de veldkeuken te halen viel, sjokte vanochtend ook weer door het kamp op zoek naar lekkers, en Harry regelde wat restjes van het vlees van gisteravond voor hem, wat hij dankbaar naar binnen schrokte! Tijdens het ontbijt speelde boven ons in de bomen wel 3 eekhoorns, Het was de bedoeling geweest dat er ook geraspte kaas bij het ontbijt zou zijn (die de Zuid-Afrikanen vaak met jam erbij op hun brood eten), maar Harry had net een heel bakje vol geraspt en Phil liet een groot gedeelte van de geraspte kaas per ongeluk in het zand vallen toen hij het naar de ontbijttafel wilde brengen. Daar wist de campinghond straks vast wel raad mee! Er werd gauw nog wat extra kaas geraspt en alles kwam weer goed gelukkig.

Na het ontbijt hielp Phil, de gids, Hans om uit zijn toch wel strakke parkeerplaats te manoeuvreren – ze hadden hem er zo leuk in gestuurd gisteravond, maar nu moest hij dus achterwaarts een steil strandje richting de rivier in manoeuvreren (en zeker niet te ver doorrijden!) om tussen de bamboebosjes en de bomen door met zijn neus de goede richting op te wijzen zodat hij uit het kamp kon komen. Met hulp van Phil ging het prima en stond hij al gauw op het grasveldje klaar voor vertrek. Toen konden we nog even rondkijken en werd ondertussen het kamp opgeruimd.

Iets voor 8 uur vertrokken we, langs de bananenbomen die groeide in een klein stroompje en de metershoge bougainville struiken die overal in het kamp groeide. Buiten de groene oase van het kamp werd het weer gauw stoffig en droog met acaciastruiken, mopaneboompjes en ander droogte-resistente planten.

We reden sinds gisteren al niet meer op asfalt, het zou de komende dagen alleen nog maar zand, stof, gravel en rots worden. Phil vertelde vrolijk dat iedere dag een klein beetje zwaarder terrein zou zijn om te rijden dan de vorige, zodat als we eenmaal bij het “hoogtepunt” van deze reis, Van Zyl’s Pass, kwamen, dat relatief gemakkelijk zou gaan omdat we geleidelijk gewend waren geraakt aan de omstandigheden. We helpen het hem hopen!

We reden het kleine dorpje door waar ons kamp in de buurt van had gelegen, en over de hoofdweg, een pad van zand en gravel. Soms moesten we een droge rivierbedding van diep mul zand oversteken, dan gaf Phil wat tips hoe je dat het beste kon benaderen – te langzaam en je blijft steken, te snel en je beschadigt misschien iets aan de auto. De lokale boeren en nomaden gebruikte acaciastruiken als een natuurlijke vorm van erfafscheiding – met stekels van minimaal 5 centimeter is er geen mens of (roof)dier dat daar doorheen probeert te komen!

Al gauw was onze eerste stop, rond 8:15 in Swartbooisdrift, de 100-jarige ruïnes van woningen van een aantal van de bekende Voortrekkers, blanken die in de negentiende eeuw kriskras door Zuidelijk Afrika trokken op zoek naar goede plekken om een bestaan op te bouwen. Deze groep was vanuit hier overgestoken naar Angola maar de meeste waren uiteindelijk toch naar hier teruggekomen omdat de omstandigheden daar slechter waren.

Na een kwartiertje rondgekeken te hebben zijn we doorgereden langs de Kunene rivier, waar we vandaag bijna constant langs gereden hebben. We zagen af en toe wat impala staan, altijd zulke ranke, mooie en elegante hertjes. Het landschap is geel, wit, okerkleurige en paarsbruine rots met kleine gedrongen bomen en struiken, taai gras, stoffig en rotsachtig onherbergzaam. Af en toe is het zo stoffig door het opgeworpen stof van de voorganger, dat Hans zijn ruitenwissers even aandeed om het stof van de ruiten te krijgen. En dwars daar doorheen loopt naast ons de blauwgroene rivier de Kunene te glinsteren met hoge palmen en grote groene bomen en struiken ernaast! Kijk je links zie je droge rotswoestijn en rotsachtige heuvels, kijk je rechts zie je vruchtbare oase. Heel apart!

De weg was een witte stoffige streep dwars door het landschap, alsof ze met een kaasrasp het bovenste laagje begroeiing eraf geschraapt hebben (dat is ook ongeveer hoe ze wegen maken hier…). Soms gemakkelijk te rijden, soms heel steil. Het stof werd soms onderbroken door een zijriviertje waar nog wat plasjes water in zaten waar we dan doorheen reden, maar al gauw werd het daarna weer stoffig. De auto van Phil, onze gids (vandaag zaten we voorin het konvooi) was zo zwaarbeladen dat je kon zien dat hij worstelde om de hellingen op te komen! Wij hebben het geluk dat we relatief licht beladen zijn.

Rond 9:30 sloeg Phil af richting de rivier voor een kleine benenstrekpauze en plaspauze voor wie dat nodig had. Het mooie blauwgroene water zag er erg uitnodigend uit maar zat ongetwijfeld vol krokodillen, ziektemakers en weet ik veel wat nog meer voor tropische griezels! Ik liep een eindje de bush in op zoek naar een beschut plekje voor een plaspauze, en werd vanuit de bomen in de gaten gehouden door nieuwsgierige apen die waren komen kijken of er wat te stelen viel in ons groepje. Ze aten de sappige zadendozen van de grote acaciabomen die hier op dit plekje voor de meeste schaduw zorgde, en af en toe vlogen deze ons dan ook om de oren! Na een kwartiertje reden we weer verder, terug naar de hoofdweg langs de rivier.

Onderweg reden we langs een heuvelrug die door Phil de zebrarotsen genoemd werd, vanwege de gestreepte ondergrond van verweerde stenen en gruis die verticale banen trokken door het struikgewas op de heuvels. Af en toe zagen we een baobab, nog zonder bladeren maar met de karakteristieke dikke stam. En op sommige plekken zagen we zelfs de cactusachtige euphorbia’s, grote hoge bomen ervan – of dit de giftige varianten waren weten we niet maar tijdens onze 2008 rondreisdoor Zuidelijk Afrika werden we er in Fish River Canyon voor gewaarschuwd dat ze zo giftig konden zijn, dat kampeerders zelfs konden overlijden als ze een vuurtje maakte met de gedroogde takken en de rook die daarvan afkwam inademde!

Rond lunchtijd ging Phil op zoek naar een schaduwrijke plek aan het water, maar de eerste weg die hij wilde nemen leek er niet meer te zijn (routes veranderen hier af en toe als de rivier overstroomt en dan weer wegtrekt), dus bij een klein dorpje moesten we een U-bocht maken voor hij besloot door de rivierbedding zelf te rijden.

We reden dus naar de rivier, en hebben zo’n halve kilometer in diep mul zand gereden, waarbij de helft van de auto’s worstelde om vooruit te komen. Hans kreeg de tip om niet te vechten met de auto maar hem zelf de route te laten zoeken, zodat je in de sporen van anderen blijft. Best een raar gezicht voor mij en raar gevoel voor hem om het stuur helemaal los te laten, en alleen vast te pakken om licht te corrigeren! Maar het werkte inderdaad best goed en zo kon hij redelijk moeiteloos rijden, haast alsof we opeens surfte over het mulle zand in plaats van het eerdere zware geploeter.

De eerste plek was helaas niets, al die moeite voor niets want er was helemaal geen schaduw, dus we zijn alleen even uitgestapt om rond te kijken en naar Angola te kijken aan de andere kant van het water (de Kunene vormt de grens tussen Angola en Namibië), terwijl we wachtten tot de groep weer compleet was. Een tweetal Himba vrouwen kwam aangelopen om van een klein afstandje naar ons te kijken, waarschijnlijk nieuwsgierig wat we daar aan het doen waren.

Toen iedereen zijn benen gestrekt had en sommige hun banden nog wat verder leeg hadden laten lopen vanwege het mulle zand, zijn we weer terug door de rivierbedding geworsteld naar de hoofdweg, om iets verderop weer af te slaan naar een mooi plekje onder wat grote acaciabomen aan het water. Veel praktischer ook om te bereiken want we hoefde er niet een rivierbedding voor door te ploeteren!

Een klaptafeltje werd opgezet, kleedje erover en brood en beleg werd klaargezet voor een eenvoudige lunch. Hier stonden vlakbij de lunchplek bijzondere stekelige (en ik bedoel echt STEKELIG) klaproosachtige bloemen, met gele bloemetjes en vlijmscherpe stekels; erg mooi maar helaas waren er nog geen zaadjes te vinden. Er werd een eenvoudige broodlunch uitgestald, met verse zachte witte broodjes die gek genoeg tot kruimels uit elkaar vielen in je handen terwijl je ze at. Na even zitten, eten en over automerken kletsen zijn we weer op pad gegaan, voor de laatste 10 kilometers naar ons kamp.

We bleven dicht langs de rivier rijden en vingen er dan ook regelmatig glimpen van op. Om 14 uur waren we al bij ons kamp, dat Omarunga Camp heette, en prachtig lag aan de Kunene Rivier en praktisch naast de Epupa Falls.

Het kamp was een kleine oase van palmbomen vol groene parkietjes met roze wangetjes, tortelduifjes en nog allerlei andere vogels. En je kon het gebulder van de waterval op de achtergrond horen. De palmbomen waren hoog en hingen vol ronde, harde bollen van zo’n 5-8 cm doorsnede (geen kokosnoten) – rondlopen was dus op eigen risico volgens de richtlijnen van het kamp, hou in de gaten dat ze af en toe naar beneden komen vallen!


Hans en ik hebben onze tent ingericht, en deze daarna laten zien aan onze buren die het zat zijn om 3-4 dagen en 3000 km te moeten rijden vanuit thuis naar het begin van een Bhejane-tocht, en begonnen waren na te denken om misschien eens te gaan huren. Ze waren onder de indruk van de auto en de mogelijkheden!

We hebben ons rond 14:30 even omgekleed en zijn even in het verrassend koude zwembadje geplonsd om af te koelen en schoon te spoelen van al dat stof en de hitte van vandaag. Heerlijk! Daarna deden we even douchen in de nette kampvoorzieningen en rond 15 uur rusten in het keukengedeelte waar we wat thee gehaald hebben en gekletst met Harry die vertelde dat hij en Phil (het zijn partners) voor hun bedrijf zitten te kijken om Angola in te gaan – ze willen het in 2018 gaan verkennen en in 2019 commercieel aanbieden. Ik heb me tegelijkertijd beziggehouden met proberen de vogels in de bomen en palmen om ons heen te fotograferen, met name de parkietjes waren erg lastig om vast te leggen!

Om 15:30 zijn Hans en ik een korte wandeling gaan maken naar een uitzichtpunt op de watervallen vlakbij. We moesten daarvoor om de Community Campsite heenlopen die naast onze campsite lag – normaal heeft Phil de voorkeur (net als Frank van Bhejane) om in community campsites te overnachten, want die worden door de lokale mensen gerund en daarmee breng je het geld rechtstreeks naar de plaatselijke gemeenschappen. Frank heeft echter wel hoge eisen voor de faciliteiten van de campsites, en ook Phil heeft uiteindelijk voor de commerciële campsite ernaast gekozen omdat, ondanks het betere zicht op de watervallen, was deze community campsite verder erg slecht voorzien en ook niet heel erg veilig. Wij vinden Omarunga meer dan prima!

We konden over de rotsen van het watervalplateau naar de kloof van de waterval zelf lopen – het is nu het droge seizoen dus nu stond dat droog, in het natte seizoen kon je hier niet komen. Ondanks het lage water was de waterval nog altijd erg mooi, een diepe kloof in de rotsen gesneden met allerlei niveautjes. Het landschap rondom de waterval was ook prachtig, mooie bergen en natuurlijk de diepe kloof onder ons waar de blunderende waterval in neerstortte. Af en toe zag je regenbogen in het opspattend water, en natuurlijk het constante gebrul! De rotsen waren heel grillig ingesneden door het water, overal vielen kleine stroompjes naar beneden, en er waren ook holtes gevormd waar ronde rotsen een vijvertje uitgesleten hadden door de constante beweging waar ze aan blootgesteld werden, te zwaar om verder gespoeld te worden, te licht om stil te blijven liggen. Weliswaar niet zo mooi als we in 2008 in Zuid-Afrika bij Bourkes' Luck Potholes gezien hadden, waar je echt hele mooie ronde gaten in de rots geponst zag, maar niettemin hier ook heel mooi.

Er bleken meerdere baobabs op soms bijna onmogelijke manieren op de rand van de kloof gebalanceerd op de rotsen geplakt te zitten – ongetwijfeld dat er af en toe eentje naar beneden moet vallen, zoals sommige half in de lucht zwevend aan het groeien waren! Een grote baobab boom stond vlakbij ons op een grote rots gebalanceerd. Tot we dichterbij kwamen en zagen dat de rots ook de baobab was! Hij was van onderen helemaal uitgedijd en ging daarna normaal omhoog door, apart om te zien. Alsof hij een tijdje klem had gezeten waardoor de onderkant was gaan uitdijen, voor hij verder normaal kon groeien. Maar hij moet hoe dan ook toch wel vele tientallen jaren oud zijn geweest! Een ander echtpaar van de groep was inmiddels ook komen kijken, een goede gelegenheid dus om een foto van ons samen te laten maken, en wij natuurlijk ook van hen. Toen we uitgekeken waren zijn we op ons gemak terug gewandeld naar ons kamp.

Terug in het kamp, rond 16 uur, hebben we onszelf met een blikje fris geïnstalleerd in onze klapstoelen met uitzicht op de veldkeuken, een beetje gedut en gekletst met een enkeling die even kwam buurten, terwijl we onze stoelen constant verplaatste om uit de brandende zon te blijven. We hebben ook wat met Phil gekletst die daar rondliep, aan zijn auto te sleutelen, en hij vertelde dat Namibië praktisch onontgonnen gebied is voor touroperators die aan Zuid-Afrikanen cateren. Alleen Bhejane bood het al jarenlang aan. Dit verbaasde ons wel een beetje, we dachten dat Namibië bekend terrein zou zijn voor Zuid-Afrikanen, het is tenslotte het buurland. Maar sinds onze eerste Afrika-reis samen in 2008hebben we ook wel geleerd dat niet iedere blanke Zuid-Afrikaan automatisch een ervaren bush-mens is (toen we bijna tegen een leeuw aan liepen in de Kalahari), en zo zullen misschien ook veel Zuid-Afrikanen altijd op vakantie in eigen land gegaan zijn, waar natuurlijk op zich ook heel veel te vinden is qua natuur.

Terwijl we een luie middag hielden werd de generator van het kamp opgestart, en Hans en ik moesten lachen: in de omschrijving van de reis stond "’s avonds zitten we bij het geruis van de waterval", en op zo’n idyllische plek als dit verwacht je inderdaad geen motorgeronk! Gelukkig was het maar eventjes, en is het niet heel de nacht doorgegaan. Harry was bezig een indrukwekkend uitziende pork stew te maken met appels, appelsap, groente, kruidnagel, laurier, er ging van alles in. Zag er goed uit! Hans vroeg hem of er een toetje gepland was voor vanavond want anders hadden wij wel iets bij (stroopwafels, natuurlijk) – helaas, er was wel voorzien in een toetje, een andere avond dan maar! Hans grapte al dat Harry er dan geen zou krijgen, want die heeft schijnbaar een eigen geheime voorraad voor zichzelf bij!

Om 19 uur gingen we eten. Het avondeten was erg lekker; een eenvoudige maar goed gevulde en smaakvolle stoofschotel van varkensvlees, groente, kruiden en specerijen, zoete aardappelen in aluminiumfolie geroosterd in de kolen, rijst, potjiebrood, en salade. Toe wat perziken uit blik met custard erover. Phil vertelde over de palmen waar we onder zaten, dat zijn Makalani palmen, en de keiharde pitten daarvan worden vaak gegraveerd als sleutelhanger.

Rond 20 uur was de helft van de groep al naar bed gegaan en wij waren ook moe maar we vonden het nog een beetje heel erg vroeg, dus Phil gooide nog wat hout op het vuur en met z’n 7’en (Phil en 3 stellen) hebben we het al kletsend en in het vuur kijkend nog uitgezongen tot 21:30. Toen viel iedereen echt in slaap en zijn we allemaal naar bed gegaan.

Nu het kamp pas echt stil geworden was hoorde je voor het eerst goed het gebulder van de waterval, en opeens een ander lawaai; een hels kabaal, ook deze campsite had een campinghond en die had een kat gespot en de twee vlogen nu achter elkaar aan door het donkere kamp! Gelukkig werden ze al gauw stil. Tussen de palmbladeren van de hoge palmen boven ons zagen we al vele sterren, en op een open stukje onderweg naar de toiletten zagen we zelfs al de Melkweg, en dat terwijl er hier nog wel wat licht van andere kampeerders is. Mooi!

free counters