Dinsdag 6 mei: Ashburton – Dunedin, 301 km

Het heeft vannacht behoorlijk hard gewaaid, zodat de camper er soms van stond te schudden, en daarnaast werden we sowieso natuurlijk al verschillende keren klaar wakker op onmogelijke tijden… Het zal nog wel even duren voordat de jetlag weg is. Maar het bed is prima, de matras leek wat dun maar is wel van stevig maar zacht materiaal gemaakt waardoor je zacht ligt zonder dat je botten in de plank eronder beginnen te drukken na een nachtje slapen. Gelukkig maar! Vanochtend zijn we gaan douchen in de campingdouche; het was een lekkere douche, met een warme harde straal. Daarna tijd voor een ontbijtje; boterhammen met jam en pindakaas, lekker makkelijk en niet te veel afwas.



Het startklaar maken en opruimen van de camper kost nog wel even tijd, en je moet eraan wennen om te checken of alles wel goed dicht en vast zit… Hoewel, dan kom je er bij de eerstvolgende bocht natuurlijk wel vanzelf achter! Zoals bijvoorbeeld het slotje op de koelkast dat we in het begin uiteraard wel een keer vergeten. Maar dat komt allemaal wel; we vertrokken om 9 uur vanochtend, verder de route 1 afzakkend naar het zuiden. Ik heb thuis geen route van dag tot dag gemaakt, omdat we inmiddels geleerd hebben dat dat niet werkt voor ons als we een roadtrip doen waarbij we niets boeken; je kunt niet van te voren inplannen wanneer je moe bent en wanneer je door wilt stomen. Deze reis probeer ik het dus anders; ik heb heel de route uitgewerkt qua wegen en bezienswaardigheden, maar geen overnachtingen; we zien onderweg wel waar we stoppen. Vandaag was het plan dus om zo ver mogelijk naar het zuiden te rijden, en ergens na Dunedin bijvoorbeeld te gaan zoeken naar een slaapplaats.



Tot aan Timaru was het landschap erg landelijk en erg plat, met in de verte naar het westen de hoge bergketen van de Zuidelijke Alpen. Wel mooi hoor, maar redelijk tam. In de omgeving van Timaru veranderde de samenstelling van de ondergrond zichtbaar naar kalksteen, en reden we dus daarna meer in glooiende heuvellandschappen met groene weides en bossen. Dat werd al beter! Maar het was nog altijd niet wat we waren komen te verwachten van Nieuw Zeeland; we zijn natuurlijk ook veels te ongeduldig en ik had bij het maken van de route al het idee gekregen dat dit deel van de route niet zo bijzonder zou zijn, dus we moesten maar geduldig doorrijden, het komt vast nog goed…



Waar we ons over verbaasde, was hoe druk het was; we hadden eigenlijk wel een beetje uitgestorven wegen verwacht, maar het was relatief druk. Veel vrachtwagens (vaak een dubbele combinatie) en ook veel meer campers dan we ooit hadden gedacht; we hebben er tientallen tegemoet zien komen vandaag, en zijn regelmatig ingehaald door de dubbele vrachtwagencombinaties die stevig de pas erin hielden… Maar de camper heeft ook wel redelijk wat power, en het is een automaat dus we kunnen ook aardig optrekken. En vandaag heeft Hans zelfs een huis ingehaald op de snelweg! Onderweg in een klein plaatsje stond opeens een huis op oplegger te wachten tot het weer de weg opkon; we hadden enorm veel geluk dat we er nog net langs mochten piepen voordat het gevaarte weer in beweging kwam, want dan was er even geen inhalen meer geweest! We zien weleens advertenties voor “house movers”; ze verstaan hier iets anders onder verhuizen dan wij, dat is duidelijk…



We reden weliswaar dicht langs de kust maar zagen er bijna nooit iets van; plus de route 1 was druk met vrachtwagens. Dus toen we even de kans zagen om een stukje via een alternatieve route te nemen (die er overigens niet veel waren) heb ik Hans richting het kustplaatsje Kakanui geleid. Dat was in ieder geval wel even iets rustiger rijden; vlak bij Kakanui had Hans ernstig behoefte aan pauze, dus is hij een weggetje ingeschoten dat hopelijk richting de kust zou leiden. Het was een goede keuze: we kwamen uit op een parkeerveldje op een kleine klif een paar meter boven de zee, bij het clubhuis en de botenhelling van de lokale sportdiepzeevissers… Het zonnetje scheen, het was uitgestorven, en het was zo’n 18-20 graden, heerlijk!



We hebben even een beetje rondgekeken en gezeten, en een sanitaire stop gehouden (fijn, je eigen wc bij hebben) en overwogen toen wat te doen… De eerste bezienswaardigheid van de reis, de Moeraki Boulders, waren namelijk maar zo’n 25 kilometer hier vandaan, en het was inmiddels pas 12 uur, dus misschien nog een beetje te vroeg om te lunchen? Aan de andere kant, we hadden hier nu een perfecte plek, er stonden namelijk zelfs wat picknicktafeltjes onder twee grote dennen, en je weet nooit wat je verder nog tegen zult komen. We zouden qua tijd beter bij de Moeraki Boulders kunnen lunchen, maar misschien was dat wel geen goeie plek. Dus al gauw besloten we hier maar lekker te gaan lunchen; spiegeleitjes met ham op brood, en toe een dropje, mjam! En voor het eerst dat we ons fornuisje ingewijd hebben, aangezien we gisteren te moe waren om te koken…



Het bakken van de spiegeleitjes was nog wel een beetje een kunstwerkje, want de pan die bij onze inboedel hoort is gloednieuw en van een heel onhandig model, bovendien is de spatel heel dik plastic, waardoor je nauwelijks ónder de eitjes kunt komen en ze vreselijk vastbakken omdat de pan nog nooit gebruikt is. Maar het lukte bijna om de dooiers heel te houden. Na de lunch hebben we alles weer opgeruimd en zijn we de laatste paar kilometers richting de Moeraki Boulders gereden. Dit zijn kogelronde, gladde stenen van wel een meter of meer doorsnede op het strand, in de branding. Het klinkt niet zo heel spectaculair, en dat leek het ook zeker niet bij het aan komen lopen! Maar als je er dichtbij staat is het toch wel heel gek om te zien. Vooral als je beseft dat de ronde stenen geen toevalligheid zijn maar op natuurlijke wijze gevormd zijn, en er zelfs eentje nog half uit de klif steekt als bewijs van hoe ze gevormd zijn…



Ze zijn blijkbaar min of meer zoals parels ontstaan; in een meer of binnenzee met zeer hoge concentraties van kalk zijn stukjes schelp of steen laagje voor laagje bedekt geraakt met kalksteen tot ze deze grote ronde knikkers vormden; die zijn later weer bedekt geraakt met modder en die modder is versteend, totdat de zee de losse modderrots losweekte en de kalkstenen knikkers weer blootlegde. Eenmaal in de branding zie je ook goed dat de knikkers zelf oplossen en uit elkaar breken; ze zijn dan wel harder dan de rots waar ze inzaten, maar niet bestand tegen het gebeuk van de zee. Er waren ook knikkers met grote barsten erin, die dan weer opgevuld waren met een nog hardere vorm van gele gekristalliseerd kalksteen. Best leuk om te zien!



Ook leuk waren de enorme plakken zeewier die overal op het strand lagen, kelp misschien? Bij onze lunchplek hadden we ze ook in de branding zien drijven. Bladeren van wel een meter lang en stronken van soms wel 10 centimeter doorsnede, dat moeten planten van vele meters lang geweest zijn! En regelmatig zagen we rare uitsteeksels die misschien de voeten van de planten waren geweest, of “bloemen”, voor zover zoiets bloemen heeft? Tussen de kiezels lagen ook veel mooie schelpjes, en enorme mosselen; Hans vond er op een gegeven moment eentje die bijna 15 centimeter lang was… Daarvan passen er niet veel in de mosselpan!



Na dit uitstapje reden we door naar het volgende punt op de route; de Leith Valley Caves, waar er schijnbaar gloeiwormen te zien zijn. Nieuw Zeelandse gloeiwormen zijn schijnbaar iets bijzonders om te zien, ze leven in donkere, vochtige plekken waar ze vallen maken van zijde met lichtgevende druppels erop om prooien te lokken. De plafonds van grotten hangen dus vol met lichtgevende druppelgordijntjes. Er zijn dat ik weet een drietal “officiële” grotten op beide eilanden die grote concentraties hebben van deze wormpjes en toegankelijk zijn voor de gemiddelde toerist (Te Anau, Waitomo, en eentje bij Charleston), maar die kosten tussen de 48 dollar en 175 dollar per persoon om te bezoeken… dat is dus tussen de 62 en 230 euro voor ons tweeën… Het mooie van de Leith Valley Caves, volgens de blogs die ik geraadpleegd had, is dat ze een van de weinig plekken die voor toeristen bekend en bereikbaar zijn die gratis zijn; je ziet er wel minder grote kolonies dan in die andere plekken, maar er is nogal een groot verschil tussen gratis en minimaal 62 euro! Daarom had ik deze grotten op het programma gezet; ze zijn nauwelijks bekend, niet aangegeven, en ik kon er ook niet veel over vinden: maar blijkt dit in het klein iets heel bijzonders te zijn, dan kunnen we altijd nog overwegen om het fenomeen in het groot in een van die betaalgrotten te bekijken.



Lang leve de gps die zelfs dit weggetje wist te vinden; de Leith Valley Caves liggen (gemakkelijk genoeg) aan de Leith Valley Road, een klein gravelweggetje dat aan de route 1 ligt, maar lastig te zien is omdat je net de heuvel opkomt en de afslag bovenin en in de bocht is. Na een kilometer gravel wordt het opeens een prima (hoewel nog altijd smal en slingerend) asfaltweggetje, en slingert het een nauwe vallei in. Ik kon op de ene site die het had over deze gloeiwormen geen adres vinden, alleen dat het aan deze weg moest liggen, dus we hebben zo’n 4 kilometer gereden vanaf route 1 voordat we opeens in een smalle bocht aan de rechterkant een klein weggetje omhoog zagen, naast een riviertje en brug, half verstopt tussen de weelderige begroeiing. Hans vond vlakbij op een open plekje een parkeerplaats, en toen zijn we het pad in gewandeld; het zou 7 minuten lopen zijn naar de gloeiwormen, je kon echter ook 20 minuten lopen naar de waterval van Nicols Creek. Dat laatste was ons iets te gortig, het was al een behoorlijk steile en pittige klim naar de splitsing van waaruit je of naar de gloeiwormen of de waterval kon gaan!



Het was een hele mooie wandeling, wel erg koud want het was hartstikke vochtig! Maar we liepen een donkergroene weelderige vochtige regenwoudomgeving in vol varens en varenbomen, lianen, en met mos en varens behangen bomen. Erg mooi. En onder ons liep het stroompje over rotsen naar beneden. Op een gegeven moment kwamen we zelfs nog bij een informatiebord over wat een gloeiworm nu eigenlijk is (deze soort komt alleen in Nieuw Zeeland voor), en toen moesten we langs een rotswand vol gegroeid met varens door een kleine smalle kloof, en toen… Was er niets! Behalve een mooie poel en met varens begroeide rotswanden… Dus wij weer naar beneden naar het bord, zo van, hebben we dan soms gemist waar die grot was? Maar er stond niets op behalve dat we moesten oppassen dat we de gloeiwormen met rust lieten en er niet op stapte of in prikte of zo… He?? Dus maar weer terug omhoog naar de kloof, maar weer niets, daar konden we echt niet verder. Langzaam aan begon het besef te komen dat de gloeiwormen misschien wel tussen het bord en de kloof te vinden waren, dus wij zijn de met varens begroeide rotswanden afgegaan op zoek naar iets, er moest toch iets zijn!?



Bij een stroompje dat over de rotswand naar beneden liep vonden we wat sprankelende lichtjes die ook gewoon reflecties hadden kunnen zijn, en bij de varenwand bij de kloof vond ik met heel veel moeite en alleen met behulp van het koplampje dat we mee hadden wat draadjes met druppels eraan die voldeden aan de omschrijving op het bord… Maar nergens gloeide iets! Gelukkig was de omgeving waar we ons in bevonden zo mooi en onwerelds dat we daar van genoten hebben, maar we liepen wat gloeiwormen betreft in ieder geval wel enigszins teleurgesteld en verward naar beneden, terug naar een eerder algemeen informatiebord. En daar stond onderaan, half verdwenen en nog maar half zichtbaar, het zinnetje dat de gloeiwormen alleen ’s nachts ook echt gloeien. Ja jeetje! Vandaar dus dat ze zo veel geld voor die grotten vragen, want daar kun je ze ook overdag zien omdat het altijd donker is. Maar als we dit geweten hadden… Waren we waarschijnlijk niet dit weggetje ingelopen en hadden we dit mooie vochtige varenbos gemist. Toch leuk dus om gezien te hebben, want het is ook zo dicht bij de hoofdweg maar je zou nooit geweten hebben dat het er was! En ondanks dat we de gloeiwormen niet hebben zien gloeien hebben we zoiets van dat we er niet dát soort geld voor over hebben om ze “echt” te zien.



Het was, eenmaal weer terug op de route 1, nog een paar kilometer naar Dunedin zelf, en Hans begon onderhand behoorlijk moe te worden, het was inmiddels al 15:30, plus we hadden allebei nog wel last van de jetlag, dus het werd hoog tijd om een rustplek te zoeken. Maar er was nog wel even tijd voor het volgende punt op de route; een begraafplaats in Dunedin waar 118 soldaten van de eerst en tweede wereldoorlogen begraven lagen, Dunedin (Anderson’s Bay) begraafplaats! Jaja… We hadden namelijk thuis, naast alle andere bezienswaardigheden en mooie routes, ook een aantal van de grootste wereldoorlog begraafplaatsen in Nieuw Zeeland op de route gezet.



Ik wist al van mijn onderzoek dat met name deze begraafplaats niet alleen voor soldaten was, maar ook sowieso een hele grote begraafplaats was, op een enorm terrein met veel heuveltjes erin, dus ik ben maar gelijk het kantoortje van de begraafplaats binnengestapt met de vraag of ze mij misschien kon vertellen waar de begraafplaatsen van de Eerste- en Tweede Wereldoorlog waren op het terrein? De dame achter het bureau keek een beetje wazig, dus ik vroeg of ze misschien wist waar de begraafplaatsen van de soldaten uit de “Great War” (zo noemen Engelsen de Eerste Wereldoorlog vaak) waren… Toen ging er een heel klein lichtje branden en vroeg ze na enig nadenken “bedoel je de soldatengraven?”. Ik vond het een beetje typische omschrijving maar ik knikte maar ja, al lang blij dat ze leek te snappen wat ik bedoelde. Ze gaf me een plattegrond en wees me aan welk deel voor de soldaten was, en raakte langzaam maar zeker helemaal enthousiast over het idee dat we geďnteresseerd waren in de Eerste- en Tweede Wereldoorlog en overal waar we kwamen een aantal van dit soort dingen bezochten. Ze begon al over een onderzoek dat de Dunedin-geschiedkundige club had gedaan, en het feit dat Dunedin 20 begraafplaatsen had, dus ik heb maar gauw uitgelegd dat we niet specifiek in Dunedin geďnteresseerd waren maar gewoon graag een paar echte soldatenbegraafplaatsen bezochten op reis, en dat we deze uitgekozen hadden omdat het gewoon de grootste in Dunedin was, met 118 soldatengraven.


Ik heb ook nog geprobeerd om haar zo ver te krijgen dat we hier op de begraafplaats mochten overnachten, want bij het kantoor was een prachtig vlak parkeerterrein met uitzicht op zee, maar dat werd duidelijk voor haar een beetje te lastig om te beslissen, dus ik heb er niet op aangedrongen. Wel was ze zo vriendelijk om even een kennis te bellen met de vraag of er in de buurt misschien iets was, en die persoon raadde een parkeerplaats aan een strandje vlakbij aan. Daar zouden we straks dus even gaan kijken!


We reden met de camper het terrein op, en het was inderdaad enorm groot; maar middenin herkende we al gauw de karakteristieke regelmatige rijen van stenen van Commonwealth oorlogsgraven. Toen we eenmaal tussen de graven liepen zagen we dat er eigenlijk geen een van de soldaten specifiek tijdens de oorlog overleden waren; de meeste waren (soms véél) later overleden. En dan toch een Commonwealth graf krijgen? Zoiets hadden we nog nooit eerder gezien, dat deze veteranen op deze manier geëerd werden. Het was wel erg mooi om te beseffen dat, al overleden ze 70 jaar na de ene of de andere oorlog, ze toch nog hier een ereplekje konden krijgen omdat ze toen ooit meegevochten hadden, in sommige gevallen in allebei de oorlogen. Er lagen zelfs soldaten die meegevochten hadden in de “Zuid Afrikaanse Oorlog”.



We waren best onder de indruk van de begraafplaats en hebben er een tijdje rondgekeken. Het was een grote begraafplaats met veel "gewone" graven, met allerlei mooie graven zoals een groepje Chinese graven bij wat bomen. Maar het was inmiddels 16:30 en het licht begon minder te worden, dus het werd hoog tijd om een rustplaats te zoeken. Het parkeerterreintje bij het strandje was helemaal niks; thuis zouden we het misschien wel overwegen maar hier weten we niet wat wel en niet verstandig is, plus het voelde gewoon niet goed en wij gaan wat dat soort dingen betreft op gevoel af. Te veel in het zicht, te rustig, geen andere campers… Dus terwijl Hans in een woonwijk de camper omdraaide heb ik iets van dezelfde (niet al te dure) keten als gisteren opgezocht. Wonder boven wonder bleek het maar 2,7 km van ons vandaan te liggen volgens de gps… Pffff! Gelijk ernaar toe dus, tijd om te stoppen!



Tegen 17 uur waren we ingecheckt en geparkeerd en geďnstalleerd, dus hebben we nog even een beetje gerust; met name Hans was natuurlijk doodmoe vanwege het geconcentreerd rijden. Het avondeten hebben we in de campingkeuken klaargemaakt; een lekker prutje van krieltjes (uit blik, lekker makkelijk), gebakken uien, gehakt en bijna-volwassen erwten (het waren haast kapucijners), op smaak gebracht met oestersaus. Klinkt misschien niet zo, maar het was erg lekker! ’s Avonds hebben we nog een kopje koffie en een dropje genomen, wat gelezen en spelletjes gespeeld met muziek op de tablet aan, en de camper geprobeerd warm te stoken met een halfgaar plastic ventilatortje die een hels kabaal maakte. Maar goed, het lukte wel min of meer, al werd je wel half doof. Het is namelijk best koud zo ’s avonds! En tegen 22 uur zijn we beide doodmoe in bed gekropen… Morgen gaan we al gauw na Dunedin eindelijk van route 1 af, richting de Southern Scenic Highway.


free counters