Vrijdag 16 mei: Greymouth – Kaikoura, 419 km

Vannacht hebben we een beetje onrustig geslapen, en rond 7 uur waren we klaarwakker. Dus besloten we ons half uurtje gratis wifi maar te gebruiken en hebben we de mail binnengehaald en de bankrekeningen gecontroleerd en zo. We hebben ook nog een beetje kunnen whatsappen met Hans zijn kinderen en zus; het is helemaal niet zo verkeerd met de gratis wifi hier! Maar het blijft voor ons ongelofelijk dat het allemaal zo gemakkelijk kan…


Na het internetten wilde we eerst nog een beetje gaan slapen, maar we besloten toch maar om op te staan; we waren wakker, het is lekker om vroeg op pad te gaan, en we wilde vandaag eigenlijk proberen om Kaikoura te bereiken aan de oostkust; weliswaar een lange rit, maar daar willen we over walvissen vliegen in een klein vliegtuigje en het zou mooi zijn als we vanmiddag al aankwamen, dan kunnen we gelijk een vlucht voor morgen regelen. Dus om 8:05 waren we al weer ingepakt, opgeruimd, ontbeten en op pad! De route vandaag liep over de route 73, Arthur’s Pass, en dan op een gegeven moment de 72 oppikken tot aan Rangiroa, van waaruit we de 1 noordwaarts zouden nemen naar Kaikoura. Zo vermeden we hopelijk ook een beetje de drukte rondom Christchurch.



Het was redelijk fris vanochtend maar wel erg zonnig, en de ochtendmist lag weer in de valleien waar de zon op de planten scheen. Dat is zo’n mooi gezicht! We kwamen al gauw bij Otira, waar er volgens mijn route een indrukwekkend viaduct over een instabiele berghelling moest zijn, en een mooie gorge. De route was inderdaad erg mooi en de berghelling erg ruig, met op één punt een betonnen afdak voor de auto’s en betonnen waterbak voor een waterval. Het was zo steil dat Hans nauwelijks durfde af te remmen om een foto te kunnen maken, maar gelukkig was er iets verderop een iets minder steil parkeerterreintje waar we even konden stoppen om te kijken.



Eerst dachten we nog dat dat betonnen afdak het viaduct moest zijn – het was inderdaad een hele steile helling, dus het had gekund – maar toen we de volgende bocht omreden zagen we het viaduct zelf. Inderdaad een indrukwekkend staaltje bouwtechniek; en je zag de instabiele puinhelling ernaast ook goed liggen. Hier was ook een uitzichtspunt dus we zijn even erin gereden om te kijken.



Bij het uitzichtspunt hingen wat kea’s rond, en de camper stond nog niet goed en wel stil of er liep er al eentje op het dak te stampen en hing eentje aan Hans zijn spiegel! Toen ik uitstapte werd ik haast omsingeld door 3, ze waren zo enorm brutaal! Terwijl wij naar het viaduct keken begon er eentje te pikken aan de rubbers tussen de deuren; ik probeerde hem weg te jagen maar hij trok zich niets van mij aan. Toen Hans zijn jas aan wilde doen en er een beetje mee zwaaide in de richting van een andere kea vloog die even op en uit de weg maar toen de kust weer veilig was gelijk weer terug… Ongelofelijk, echt te brutaal voor woorden! Er zat ondertussen ook eentje onder de auto, en er liepen er twee voor, en diegene op het dak was inmiddels aan de antenne begonnen, dus toen we klaar waren hier heeft Hans eerst de motor gestart en even laten lopen voor hij heel voorzichtig wegreed; ze snapten de hint en gingen op tijd opzij, hoewel diegene op het dak het nog het langste volgehouden heeft en pas wegvloog toen we echt gingen rijden.



Iets later kwamen we bij Arthur’s Pass aan, het hoogste punt – net als Lindis Pass over de 900 meter hoog. Terwijl we naar beneden in de schaduwzijde reden zagen we overal rijp en zelfs wat ijs liggen; het had vannacht goed gevroren. Er stond een enkele camper wild te kamperen onderweg tussen de pas zelf en het kleine dorpje er 2 kilometer vandaan; liever zij dan wij! Op de bergen om ons heen lag sneeuw… Het was echt goed koud, nu nog -1 – hoewel het in het zonnetje al aan het opwarmen was; we reden op een gegeven moment langs een veld vol bosjes, en in de schaduw van ieder bosje lag nog rijp, de rest was al verdwenen in de zon.



Voorbij Arthur’s Pass en een paar honderd meter lager, maar nog altijd op zo’n 500-600 meter hoogte, reden we door een brede vallei met om ons heen aan alle kanten hoge bergen. We zagen op een afstandje een vallei gevuld met ochtendmist; het leek wel een rivier van wolken die uit de vallei kwam stromen! Erg apart om te zien, erg mooi ook.



We kwamen steeds dichterbij de ochtendmist en reden op een gegeven moment echt de mist in; je zag heel mooi hoe de mist in de vallei lag en er langzaam uit rolde. We hebben er een tijdje ingereden en toen we de vallei weer uitreden en de zon door de mist scheen zagen we zelfs een “mistregenboog”; er zat niet echt kleur in zoals in een echte regenboog, maar je zag wel duidelijk een boog van licht.



Na een tijdje reden we opeens in een landschap waarbij we 360 graden omringd waren door sneeuw-bedekte bergtoppen; heel erg mooi! Eigenlijk verveelt het landschap nooit, want het veranderd constant. En het aparte is, het is een soort mix van hoge bergen en laag rivierlandschap; je rijdt nooit alleen maar in hoge bergen met kronkelende wegen en geen vergezichten. En je rijdt ook niet echt alleen in heuvelachtig landschap met rollende heuvels. Vaak rij je in een hele brede vallei met rollende grasbedekte heuvels, uitgesleten rivierbeddingen met kronkelende rivieren, rotsen, en om je heen op de horizon hoge ruige bergen. Vergezichten dus, en overal wel iets te zien, in een vorm die we niet uit andere landen kennen.



Rond een uur of 11 kwamen we in een klein plaatsje aan, Springfield, waar er een aantal restaurantjes en cafeetjes waren en waar er geadverteerd werd met homemade pies. Daar zochten we al een tijdje naar; we hadden namelijk nog niets voor de lunch. Dus we hebben even rondgezocht tot we een aantrekkelijk zaakje vonden, en daar hebben we voor 19 dollar (12 euro, hoppa) 2 stukjes wortelcake en twee kleine kippenpies gekocht. Weliswaar voor die prijs vers, homemade en volgens de winkelierster zouden we niet teleurgesteld zijn. Iets verderop was een herdenkingsparkje voor ene Rewi Alley met een mooi rustig parkeerterreintje precies groot genoeg voor de camper, dus daar heeft Hans geparkeerd. En terwijl ik de koffie zette is hij eens gaan kijken wie Rewi Alley precies was; het blijkt iemand geweest te zijn die hier geboren is, maar 60 jaar in China gewoond en gewerkt heeft en daar als een held gezien wordt voor alles wat hij daar bereikt heeft. Er was een klein paviljoentje gemaakt en een achttal informatieborden over zijn leven; in het Engels en Chinees! Ongelofelijk wat je allemaal eigenlijk niet weet!



De wortelcake smaakte erg goed bij de koffie (vooral de botericing was heerlijk), en na deze kleine pauze zijn we verder gereden. Rond 12:30 kwamen we in Rangiroa aan, waar onze gps ons enigszins ingewikkeld maar uiteindelijk wel goed geleid heeft naar de route 1 naar het noorden. Het had waarschijnlijk eenvoudiger gekund, maar zij bracht ons in ieder geval naar de goede kant op, en ik zou door de borden te volgen misschien toch de verkeerde richting aangegeven, aangezien ons specifieke doel Kaikoura nergens vermeld stond. Ach het was even een mooi afsteggertje van een paar kilometer door het platteland!



Maar eenmaal op de route 1 wilde we er eigenlijk het liefst weer zo gauw mogelijk weer af; het was hartstikke druk! Hans vond in Amberley een klein parkeerplaatsje waar we de kippenpasteitjes opgegeten hebben als lunch en ik even op de kaart kon kijken of er een alternatief was. Na enig dubben leek er wel een alternatief; iets verder door konden we afslaan en binnendoor via Waipara richting Hanmer Springs en dan weer daarvoor afslaan richting Kaikoura. Was iets meer kilometers en zou een kwartier tot een half uur langer duren, maar waarschijnlijk wel een stuk rustiger zijn om te rijden… Dus besloten we dat te doen.



Inderdaad, zodra we bij Waipara de afslag genomen hadden werd het een stuk rustiger, en toen het verkeer richting Hanmer Springs ook afviel was het nog eens rustiger. Plus het was ook nog eens een hele mooie route! Er waren veel lama- en alpacaboeren onderweg. Hobbyboeren of zo? Want waarom zou je in een land dat bekend is om zijn schapenwol nog andere wolsoorten willen produceren? Ach ja…



De route eenmaal voorbij de afslag naar Hanmer Springs werd een kleinere weg, qua belangrijkheid, (het zijn hier allemaal 2-baans provinciaalse wegen waar je 100 mag), en deze weg volgde het landschap. Dus als er een kronkelende riviervallei was, kronkelde onze weg er net zo hard omheen. Lag er een verhoging in het landschap dan klommen we er aan de ene kant op en reden er van de andere kant weer af… Dat leidde weleens tot behoorlijke haarspeldbochten en vreemde kronkels, maar je zag in ieder geval steeds alles weer vanuit een nieuwe hoek!



Op een gegeven moment moesten we stoppen voor weer eens de zoveelste wegwerkzaamheden; ze zijn denken we de wegen in orde aan het brengen voor de winter en de ergste schades herstellen of zo. In ieder geval, het was wel duidelijk dat het deze keer even ging duren… Een van de wegwerkers kwam even een babbeltje doen en zei dat we wel de motor uit konden zetten, want ze moesten nog even een stuk teer met steentjes bedekken voor we verder konden. Het heeft uiteindelijk zo’n 12 minuten geduurd, waarbij we te horen kregen dat de sneeuw op de bergen waar we vandaag doorgereden waren pas de afgelopen nacht of twee gevallen was.



Eenmaal weer op weg kwamen we opeens in een bocht twee wilde pauwen tegen; mooi! En reden we over een stuk weg dat echt heel erg heen en weer kronkelde, door een groen landschap en riviervalleien; ook heel erg mooi.



Eenmaal bij Kaikoura aangekomen zijn we als eerste naar het vliegveld gereden, zo’n 7 km ten zuiden van het stadje zelf. Het vliegveld bestond uit een groene grasmat en twee gebouwtjes; het ene gebouwtje was van “wings over whales”, het bedrijf waar we mee over de walvissen wilden vliegen, en het andere gebouwtje was van het clubhuis van de lokale vliegvereniging. Terwijl wij het parkeerterrein opreden groette een motorrijder die net bezig was weg te rijden ons vriendelijk. Maar toen wij geparkeerd hadden verscheen hij opeens naast ons; hij was nog even blijven wachten…



Hij sprak ons aan, of we een walvissenvlucht wilde boeken? Ja zeiden we. Oei zei hij, ze zijn allemaal net aan het weggaan, ik ben een van de laatste… Oei zeiden wij, dat is jammer. Hij keek ons zo aan en vroeg of we al iets gereserveerd hadden? Nee, dat wilde we nu doen zeiden we… Nou zei hij, ik ben niet van hen hoor (hij wees naar het bedrijf) maar ik ben van de vliegclub en wij doen precies hetzelfde als hen alleen minder duur. En inderdaad, er stond bij de vliegclub een handgeverfd bordje met “walvisvluchten”. Ok zeiden wij, maar wat is het addertje? (want bij “wings over whales” kost het 180 dollar per persoon, bij de vliegclub 145 dollar). Niets zei hij, alleen wij zijn niet commercieel wij willen alleen onze clubkas een beetje spekken. De vlucht is even lang (30 minuten), de kans op walvissen even groot, en als we geen walvissen zien in het half uur gaan ze nog 10 minuten door. En als we de walvissen aan het begin goed te zien krijgen doen ze nog een beetje een scenic flight in de omgeving… Ok, prima, klinkt goed! Dus we hebben afgesproken om morgen om 10 uur met iemand van de vliegclub mee te gaan… De man ging naar huis, overduidelijk tevreden dat hij nog even gewacht had; anders waren we bij de buren binnengestapt natuurlijk. Ze mogen misschien niet adverteren want dan is het valse concurrentie, want ze zijn geen commercieel bedrijf; of ze hebben gewoon geen geld om te adverteren.


Ik had de prijzen gezien van campings in Kaikoura, wat supertoeristisch is, dus we besloten naar de goedkoopste te gaan, die al 35 dollar kostte (de rest gingen over de 40 heen). Dat was de A1 Kaikoura Motel & Holiday Park… Ahum tja, het is inderdaad relatief goedkoop ja. En de slechtste camping tot nu toe denken we; Knottingley Park was dan nog redelijk positief, zeker in zijn prijsklasse... Maar we moeten niet te negatief doen; er is tot nu toe nog maar één goederentrein langs gedenderd (de grond bewoog er gewoon van). En de keuken bestaat uit een donker hok met een paar planken, een plakkende vloer, een kapotte koelkast, een gaar elektrisch fornuis (en daarnaast een gat en wat losse draadjes van wat ooit een tweede elektrisch fornuis moet zijn geweest), en een niet zo heel frisse spoelbak, maar we waren vanavond toch alleen maar van plan om kippensoep en noodles met de al eerder gekookte eitjes te eten, dus dat vergt ook niet te veel koken…



Ik heb na aankomst gelijk maar wat kippensoep gemaakt. Er kwam op een gegeven moment een auto het terrein op rijden die een cabin zocht; ze hebben een rondje gereden en we hebben ze niet meer teruggezien! En toen het net donker geworden was en ik de noodles en eitjes ging opwarmen zodat we die in de camper konden opeten kwam er een “Jucy” auto (soort compacte campeerauto) met twee meiden in de twintig het terrein oprijden die, toen ze het keukentje inkeken en mij met mijn koplampje op zagen koken (de lichtsensor ging om de 2 seconden uit en sprong dan niet gelijk weer aan), enigszins verschrikt keken. Ze vroegen of dít de keuken was? Yep zei ik (prompt viel het licht weer uit dus moest ik even een paar stappen doen om het weer te activeren). Je zag ze slikken. Iets later kwam ik ze tegen toen ze net de douches waren gaan inspecteren, en ik zag de afgrijzing in hun ogen. Niet dat het echt vies is, los van het keukentje dat een beetje plakt, maar het is een groezelige, donkere, onaantrekkelijke zooi. Wij kunnen ons tenminste terugtrekken in ons coconnetje met de gordijnen dicht en de straalkachel aan, en hebben wc, gootsteen en fornuis aan boord mocht het nodig zijn; zij zijn wat meer overgeleverd aan de faciliteiten ter plekke.


De oude wasmachines, ovens, kachels en gereedschap staan te roesten op het gras, je kijkt vanuit de camperplaatsen op een soort sovjetflat aan – het “motel” – en overal staat oude zooi in hoekjes. De faciliteiten zijn voor een Nieuw Zeelandse camping ondermaats, ze komen zeker niet meer door een eventuele volgende keuring (en we vragen ons af hoe ze überhaupt ooit door een keuring gekomen zijn)! Hoe ze ooit het redelijk aantrekkelijk fotootje voor het boekje hebben kunnen maken vraag ik me af, ik zou niet weten vanuit welke hoek ze dat hebben kunnen doen! Maar wij vinden zoiets niet erg, zeker niet omdat het zo veel geld scheelt; het is maar voor één nacht. Morgen rijden we na de walvissen een klein eindje door en dan gaan we de rest van de dag rusten, dat is voor Hans onderhand hard nodig. Gewoon even een dagje rust.


We kregen bij deze camping wel 2 keer 50 mb gratis wifi cadeau, en hebben de ene bon vanavond opgemaakt met mailtjes en nog een klein beetje whatsappen en internetten. Hans zijn dochter vroeg enigszins bezorgd over de chat of de man van de vliegclub toch wel zijn vliegbrevet had, toen we vertelde over ons gesprekje bij het vliegveld! Opeens was ons internettegoed op, terwijl we volgens mij nog lang niet aan de 50 mb zaten… Maar ja, maakt niet uit we waren toch al ver uitge-internet. De andere bon bewaren we tot morgenochtend. We doen het de laatste dagen echt niet slecht met internet: het thuisfront zal wel balen; meestal zijn ze af en toe een paar dagen van ons af, nu kunnen we ze eigenlijk iedere dag wel vervelen met reisverhalen en foto’s… Het straalkacheltje staat trouwens weer flink hoog vanavond, want het is overdag wel niet zo heel koud, maar ’s nachts koelt het enorm af en als je er niet recht voor zit voel je de kou van buiten de camper intrekken. We stoken het dus lekker tropisch warm hierbinnen!

free counters