Dinsdag 20 mei: Wellington – Greytown, 199 km

We slapen de laatste nachten weer wat onrustig; plus we beginnen onze eigen matras te missen – deze is op zich prima, maar het blijft een kussen op een houten plank! We hebben vanochtend de laatste kleine afwas gedaan, en ons voorbereid om te vertrekken; als we de tijd nemen en rustig aandoen en nog even de ontbijtafwas doen en vuilnis weggooien zijn we vaak wel in 35-45 minuten vertrekklaar vanuit opstaan. Het vaste ochtendritueel gaat zo’n beetje als volgt:
Vanaf een uur of 5-6: ligt Hans wakker omdat hij moet gaan plassen maar dat niet wil omdat hij er dan uit moet gaan en daardoor wakker wordt, en hoopt dat het gevoel verdwijnt, maar in de praktijk niet meer kan slapen omdat hij moet plassen, tot hij uiteindelijk van ellende toch maar even opstaat om te plassen (in de camper hoor) en dan soms weer een paar hazenslaapjes kan doen…
Ondertussen probeert Jooske krampachtig te blijven slapen terwijl Hans klaarwakker is omdat hij moet gaan plassen en af en toe wil kletsen, om uiteindelijk nog eventjes echt te kunnen slapen als Hans is gaan plassen en zelf ook weer even in slaap valt…


Ongeveer 7:30: De ventilator alvast aanzetten om de camper een beetje voor te verwarmen
Ongeveer 8:00: Elkaar geestelijk aanmoedigen om op te staan…


Meestal kleed ik me op het bed aan en Hans in het gangpad. Dan gaat Hans alvast naar het wc-gebouwtje om naar de wc te gaan, waterflesjes te vullen en zijn gezicht te wassen en zo, terwijl ik de gordijnen open doe en vastmaak, de blikken, wc-papier en jassen weer op bed leg, het brood uit de diepvries haal en even voor de ventilator zet. Als ik tijd heb doe ik ook alvast de voorruit af aangezien deze heel vochtig wordt ’s nachts (anders doet Hans het). Als Hans terug is ga ik naar de wc terwijl Hans de camperdeur openzet en (als ik het nog niet gedaan heb) de voorruit afdoet. Het doekje voor de voorruit is heel dun en wordt nog even voor de ventilator gehangen zodat deze daarna nog een keertje gebruikt kan worden. Vaak begint Hans alvast te eten en eet ik mijn boterhammen als ik terug ben. Waterflesjes worden voorin gelegd, samen met Hans zijn bril, fototoestel en gps (die vaak de vorige avond op bed lagen vanwege lezen, kijken en route plannen). Dan doen we nog even de laatste afwas indien nodig (meestal heeft een van ons dit al gedaan tijdens het naar de wc gaan), en leggen de laatste dingen op het bed (jampot, eventuele kleren). Als laatste haalt Hans de stroom eraf terwijl ik de ventilator opberg, de vaatwasmiddel in de gootsteen leg anders valt hij tijdens het rijden, check of alle lichtjes uitstaan (behalve de koelkast), alle kastjes dicht zijn, en er nergens meer iets los slingert wat kan gaan vallen of kletteren. Hans stapt in, zet de kilometerstand op nul, ik start de gps en plan de volgende plaats in als ik dat nog niet al gedaan heb, en we kunnen rijden… Een geoliede machine!


We reden vanochtend de stad Wellington in; niet onze favoriete bezigheid, zeker niet tijdens de ochtendspits, maar met onze trouwe gps was het redelijk te doen. En we moeten zeggen, een drukke stad hier in Nieuw Zeeland is toch over het algemeen een stuk rustiger dan een drukke stad ergens anders! We gingen namelijk naar het Karori Cemetery, een grote algemene begraafplaats in Wellington waar ook 390 soldatengraven waren, wat het daarmee de grootste oorlogsbegraafplaats van Nieuw Zeeland maakt. Het was gelukkig niet zo veel verder dan de ferry terminal, en bij aankomst heb ik nog eventjes in het kantoortje gevraagd waar we de graven precies konden vinden. Maar eigenlijk hoefde dat niet, want we zagen ze van ver al liggen.



Het was zoals altijd erg indrukwekkend om tussen de graven te lopen. Des te meer misschien omdat dit graven waren van mannen (en vrouwen) die gevochten hadden in een of meer oorlogen (Eerste, Tweede of zelfs de Boerenoorlog) en later overleden waren. Sommigen waarschijnlijk aan hun verwondingen maanden of jaren later, andere op latere leeftijd.



Soms was er bij de steen nog een kleine plaquette bijgezet of in de steen zelf speciaal uitgehakt met de naam van de echtgenote en haar overlijdensdatum; vaak vele tientallen jaren later. Ongelofelijk!



Er waren verschillende delen; grafstenen die in een cirkel gezet waren, een groot veld met grafstenen, een lange muur met plaquettes, een kiezeltuintje met plaquettes, een groot grasveld met plaquettes, en nog een klein gedeelte met grafstenen voor veteranen van met name de Boeren Oorlog. Er was ook nog een ereboog tussen het grote veld en de cirkel waarin namen stonden van mannen die op zee overleden waren.



We hebben er geruime tijd rondgelopen, kijkend naar de namen en de regimenten en het allemaal in ons opnemend. Sommige van de regimenten waren leuk om te zien; zoals “dental” (tanden), dierenverzorging, kamelen, fietsen of (met name in de Eerste Wereldoorlog) het tankcorps, wat toen nog iets heel nieuws was.



Nadat we alles gezien hadden wat we wilde zijn we naar de dichtstbijzijnde supermarkt gereden; een New World supermarkt, weliswaar een kleintje, maar we hadden toch alleen maar een broodje voor de lunch, pindakaas en iets lekkers voor bij de koffie nodig. We konden niet echt gelijk een pot pindakaas vinden die ons aansprak, dus we kijken nog weleens bij een grotere winkel morgen. Bij het afrekenen presenteerde ik onze bonuskaart, maar het meisje achter de kassa moest lachen en zei dat dat alleen voor het Zuidereiland was. He? Apart… Ach ja, we hebben er uiteindelijk toch iets van 5 dollar korting mee gehad; dus de bonuskaart ging bij het verlaten van de kleine mall maar gelijk in de vuilnisbak!


Toen was het op naar het volgende punt op het programma; de Putangirua Pinnacles, een speciaal klein Nationaal Park in het zuiden van het Noordereiland, bij Cape Palliser, dat als een van de mooiste erosievoorbeelden gold in Nieuw Zeeland, een echt “badlands” (en hopelijk wat spectaculairder dan de Clay Cliffs!). Blijkbaar was het een filmlocatie van Lord of the Rings geweest, maar het zou desondanks waarschijnlijk niet al te toeristisch zijn omdat het behoorlijk uit de route ligt voor de meeste reizen en routes!


Eerst moesten we echter de regio van Wellington, Lower en Upper Hutt uit komen. Gelukkig kan de gps ons redelijk goed overal doorheen leiden, en werden de wegen iets minder hectisch toen we eenmaal buiten het gebied van Wellington kwamen. Na Upper Hutt moesten we echter een berg over en daar zaten weer (zelfs in de snelweg) behoorlijk wat bochtjes! Op een gegeven moment stonden we zelfs opeens stil in een bocht; er was een file. Wegwerkzaamheden dachten we eerst, maar toen we weer mochten gaan rijden bleek het dat er een ongeluk gebeurd was met een auto en zo te zien een fiets. Sowieso hebben ze hier de rare eigenschap om af en toe fietspaden in de vluchtstrook van de snelweg te maken! Nu zijn dat voor onze begrippen provinciaalse wegen, maar wel waar je 100 km/uur mag rijden, en dan als fietser volledig onbeschermd op de vluchtstrook rijden terwijl dubbele vrachtwagencombinaties je voorbij denderen? Brrrrr, nee dank je!



Onderweg, iets van 30 kilometer voor we er waren, hebben we in boerenland de camper in de berm geparkeerd en een kopje koffie gezet en alvast onze lunch gegeten, want het was inmiddels al bijna 12 uur en we hadden honger! Terwijl we daar zaten zagen we in de verte een kudde koeien een beetje ongecontroleerd de weg opgestuurd worden, waardoor een vrachtwagen min of meer vol in de remmen moest omdat hij eerst gedacht had er nog langs te kunnen.



Ik had van internet stap-voor-stap instructies in mijn route geplakt om het Nationaal Park te vinden, en het zelfs nagelopen in google Earth, maar het bleek goed te vinden; 13 kilometer na het inslaan van de Cape Palliser Road stond er een klein bordje naar links met “Putangirua Pinnacles” erop bij een gravelpad. Aan het einde was een klein parkeerterreintje en om ons heen zag je al mooie voorbeelden van erosie. De “rotsondergrond” hier is helemaal geen rots, maar een dikke laag samengeperste klei, gravel, steentjes en ronde rivierkeien. En dat is natuurlijk niet zo duurzaam, dus met flinke regenbuien en door de rivier zelf worden diepe grillige groeven in het landschap gesleten.



Om echt bij de Pinnacles zelf te kunnen komen moesten we drie kwartier lopen, 2 kilometer enkele reis; langs de rivierbedding van de rivier zelf. Maar het was nog vroeg, pas 13 uur, dus we hadden alle tijd. Ik heb wat water in een tasje gedaan, en we hebben onze petjes gepakt want het zonnetje schijnt fel en het is een stuk warmer dan op het Zuidereiland; 19 graden in de zon, 17 in de schaduw. Niet verkeerd!



De wandeling langs de rivierbedding was erg mooi maar af en toe wel zoeken naar waar we heen moesten, want we liepen door bosjes van metershoog riet en over grote velden van keien en gravel. Maar net als je je ging afvragen hoe je nu moest lopen zagen we weer een wegwijzer; oranje driehoekjes op bomen gespijkerd of op hoge blauwe stokken die in de rivierbedding gestoken waren in een blok beton (zodat ze een kans hadden om de winter en lente stortvloeden te overleven zeker). Maar uiteindelijk was het niet zo heel ingewikkeld; we moesten gewoon de riviervallei omhoog volgen.



Meestal konden we droge voeten houden, al moesten we af en toe wel door de kleimodder lopen – gelukkig was het overwegend over ronde keien en gravel lopen! Maar tot twee keer toe moesten we een aanzienlijk stroompje oversteken; niet erg groot of zo maar wel diep en snelstromend en gegarandeerd natte voeten, enkels en kuiten als je niet oppastte… En geen bruggetje of zo, dus het was zoeken naar een paar grote stenen waar je op kon staan – Hans heeft alleen in beide gevallen wel wat keien erbij gegooid om de stappen net iets minder groot en gevaarlijk te maken! Natte tenen hebben we wel gekregen, maar daar bleef het bij gelukkig! Onderweg zagen we al een paar hele mooie stukjes erosie, maar de echte Pinnacles waren nog een eindje lopen.



Op een gegeven moment versmalde de riviervallei waar we in liepen redelijk plotseling, en kwam er een zijriviervallei tevoorschijn; een grote steile brede keien- en gravelstroom die in de lente waarschijnlijk vol water staat maar nu gelukkig alleen maar een zwak druppelstroompje was. Hier stonden veilig hoog aan de kant van de riviervallei bordjes; voor de Pinnacles moesten we deze gravelwaterval beklimmen… Het was redelijk steil en hard werken vanwege de losse keienondergrond, maar de beloning was al van verre zichtbaar, want boven ons lagen de Pinnacles!



Naarmate we hoger in de zijriviervallei over het gravel en de keien klommen kwamen we dichter bij de rotsformaties van de Pinnacles zelf, totdat we er echt tussenliepen. Het was echt heel erg mooi en ruig en grillig landschap; bij verre het wildste en mooiste wat we tot nu toe gezien hebben in Nieuw Zeeland, en echt iets waar we van houden. Liefelijke landschappen vinden we mooi, natuurlijk, maar hier gaat de adrenaline van stromen, dit blijft je echt bij!



Ik ben “even” een zijtak ingeklommen om te kijken of dat nog speciaal de moeite waard was, terwijl Hans achterbleef om de rest in zich op te nemen. Los van een flinke klim over los gravel was er niet veel meer te zien dan we vanuit de hoofdtak hadden kunnen zien, dus Hans was in dit geval waarschijnlijk de wijste geweest! Terug naar beneden komend gleden mijn voeten soms onder me vandaan door de losse steentjes; geen ramp, zolang je maar blijft bewegen en je niet uit balans laat gooien. Erg ver glijd je toch niet, het is niet alsof alles opeens mee gaat glijden.



Samen zijn we de hoofdtak ingelopen tot bijna aan het einde; helemaal echt tot het achterste stukje was nog een behoorlijk steil stuk en niet echt de moeite waard. Maar waar we stonden was echt ongelofelijk; we waren aan alle kanten omringd door hoge steile torens en muurtjes van de klei/stenen mix, met daartussen diepe grillige groeven. De “muurtjes” waren soms zo dun om te zien dat het haast onvoorstelbaar was dat ze lang intact zouden blijven.



Het was moeilijk om schaal te kunnen zien, de Pinnacles lijken namelijk minder hoog dan ze in werkelijkheid zijn. Met een aantal doorkijkjes waarbij je in de verte hoog op de top de volwassen bomen ziet, komt echter opeens de enorme schaal van de Pinnacles in beeld; ze zijn echt in sommige gevallen tientallen meters hoog! En de kiezeltjes die er uitsteken zijn vaak grote keien. Één keertje heb ik een steen horen vallen, maar voor de rest was het allemaal erg stabiel. Nu waren we wel erg blij dat we er kwamen terwijl het droog was; het was namelijk in de riviervallei beneden al vochtig genoeg geweest.



De heenweg heeft met fotostops denk ik wel een uur geduurd, de terugweg (bergafwaarts, dat scheelt!) was maar een half uurtje. Heen en terug 4 kilometer lopen, maar meer dan de moeite waard. Hans heeft wel bij een van de twee rivieroversteken weer nieuwe keien moeten wegleggen omdat degene die we op de heenweg neergelegd hadden inmiddels al verder gespoeld waren. Deze Pinnacles liggen wel redelijk uit de weg van andere dingen op het Noordereiland maar zijn vele, vele malen interessanter dan de zogenaamde “badlands” van de Clay Cliffs op het Zuidereiland – en als je van zulke dingen houdt absoluut de moeite waard om voor om te rijden!



Terug op de parkeerplaats zijn we even naar de wc geweest; er stonden namelijk openbare wc’s, je mag er ook kamperen als je wilt. Dat hebben we al meer gezien in Nieuw Zeeland, en ook hier gold; de openbare wc’s, zelfs op afgelegen plekken zoals dit, zijn over het algemeen schoon, netjes, en er is wc-papier. Echt ongelofelijk! Terug in de auto hebben we tijdens het rijden lekker een appeltje gegeten; ze hebben hier een appelsoort, ik denk van Nieuw Zeelandse bodem, die heet “Jazz”, en is wat ons betreft een uitstekende camperappel… Want zelfs als hij dagenlang in een kastje heen en weer gehost wordt (we horen ze soms als knikkers heen en weer rollen) dan nog zitten er nauwelijks deuken in en is hij nog lekker vers en fris sappig zoet, heerlijk voor onderweg!



Er was in de omgeving van Martinborough een mooie kalkstenen klovenstelsel, Patuna Chasm, waarvan ik van te voren op internet gezien had dat het waarschijnlijk gesloten was voor de winter. Maar omdat het best de moeite waard kon zijn, zijn we toch even naar de iSite in Martinborough gereden om het na te vragen. Helaas, zoals verwacht inderdaad gesloten… Tot nu toe worden we altijd uitstekend geholpen als we een iSite binnenstappen met vragen, en zijn de mensen duidelijk goed op de hoogte van de bezienswaardigheden in de omgeving. Al was de vrouw vandaag in Martinborough geloof ik ook heel blij dat ze weer eens een praatje kon maken, want ze leek het moeilijk te vinden om afscheid te nemen van me en wilde door blijven praten!



Het was onderhand na 15 uur en Hans had het wel weer gezien voor vandaag, na een drukke ochtend in een grote stad, en dan nog eens een “paar” bochtjes draaien om over de bergen te komen! Hoog tijd om te stoppen dus. Ik had in onze campinggidsje een overnachtingsplaats in Greytown gezien, zonder prijsopgave, dat wel, dus waarschijnlijk erg duur, maar Greytown is een klein plaatsje dus er was een kans dat het een particuliere camping was en geen grote keten. En het was niet zo ver meer, dat was ook belangrijk!



We reden de juiste straat in en toen we rond 15:30 het blauwe bordje met camping zagen stonden we opeens voor een memorial gate, een heus herdenkingspark! De camping, “Greytown Camp Ground”, lag IN de memorial park! We kregen flashbacks van Knottingley Park terwijl we naar binnen reden, de prijs zou in ieder geval wel goed zitten zo te zien, nu maar hopen dat de voorzieningen ook een beetje degelijk waren! Ik werd geholpen door een wat oudere, enthousiaste Amerikaan die al 27 jaar in Nieuw Zeeland woonde en sinds 2 weken hier aan het werk was als de nieuwe manager. Het was nog even zoeken naar de papieren want hij stond er alleen voor vandaag en wist nog niet zo gauw alles te vinden, maar het was een grote camping en er stonden maar 3 caravans bij elkaar dus het werd al gauw duidelijk dat we overal konden staan waar we wilde… Het kostte maar 28 dollar voor een site met elektra, dus ik was al lang blij!



We hebben een beetje over het park, de begraafplaats die we vanochtend bezocht hadden en de oorlog in het algemeen gekletst; Hans had zijn raampje open gedraaid en kon zo ook meepraten. Op een gegeven moment ging Hans parkeren en vroeg ik de Amerikaan nog de voorzieningen aan te wijzen. Hij kwam nog even kletsend bij ons staan terwijl Hans de stroom aan de camper hing, en vertelde dat het hoofdgebouwtje eigenlijk uit Featherston kwam, een plaatsje vlakbij. Blijkbaar was daar een Japans krijgsgevangenenkamp geweest waar 100 man afgeslacht waren doordat er een oproer of relletje of zo ontstond. En hier aan de rand van het park was nog een herdenkingszwembad gemaakt en een lange laan met limoenbomen, een voor iedere man die uit Greytown kwam en overleden was in de Eerste Wereldoorlog.



Dus we hebben even een ommetje gelopen natuurlijk! Eerst naar de hoofdingang om het hek te bekijken, toen naar het zwembad ernaast, en toen naar de bomenlaan; het was nog maar een gedeelte van de originele bomenlaan. Oorspronkelijk waren er namelijk 117 bomen geplant rondom het park. Maar het was nog altijd indrukwekkend! Toen hebben we nog een beetje geslenterd over het parkterrein, wat echt heerlijk rustig was, en gekeken naar de keuken en voorzieningen. Zag er allemaal goed en heel erg schoon uit… Er was zo te zien één aanwezige permanente bewoner, dan nog de Amerikaan, en wij als enigste doorreizende gasten. En de Amerikaan ging ook nog eens om 16:30 naar huis!



Hans was (logisch) erg moe dus die is even gaan rusten terwijl ik tomatenkippensoep maakte… We hebben een aantal pakjes kippensoep waar eigenlijk geen smaak aan zit, en we hadden een blik tomatensaus waar we eigenlijk niet echt een doel voor hadden, dus we besloten vandaag eens creatief te zijn; de tomatensaus, wat water, een pakje kippensoep en voor de pit twee poederpakjes kippenbouillon uit de noodlepakjes. De tomatensaus was zó zoet dat ik er thuis vast een lekker toetje van had kunnen maken, gelukkig dat de zoute bouillonpoeders het een beetje in evenwicht trokken… Maar het werd dus een best lekkere zoete, enigszins Chinees-aandoende tomatensoep.



Voor het avondeten hebben we wat blikjes aangesproken; een blikje smac opbakken, daardoorheen een blikje krieltjes in blokjes gesneden, en een blik erwten erbij voor de groente. Toe een blik lychees, waarmee onze blikvoorraad gehalveerd is! Dat moet ook wel onderhand, we willen niet met blikken blijven zitten als we terug naar huis gaan… In het keukentje raakte we aan de praat met de permanente bewoner die zijn afwas kwam doen; net als de Amerikaan best een aardige man, al was hij om te zien misschien een beetje een zonderling. Hij was hier tijdelijk neergestreken maar was min of meer permanent op reis; naar eigen zeggen was hij al zeker 30 jaar op reis in Nieuw Zeeland en had alles behalve de Catlins op het Zuidereiland en de Forgotten World Highway hier op het Noordereiland bezocht. We hebben een beetje over het park gekletst en de oorlogen in het algemeen, en onze route voor de komende dagen. Ik zit namelijk een beetje te dubben want ik wil Hans niet te veel afbeulen met kilometers maken en we willen toch ook nog wel wat zien, én tijd overhouden voor de geothermische dingen in het binnenland en de White Island vulkaan...



Na het eten zijn we gaan douchen, heerlijke douches! Lekker warm, goede straal, een lichte ruimte en SCHOON! We schaamde ons er haast voor dat de ruimte zo nat werd en hadden als het had gekund de ruimte even met een trekker droog willen maken. Echt, ik denk al met al de beste douches tot nu toe. Heerlijk! Lekker opgefrist hebben we ons in ons campertje geďnstalleerd met een kopje thee en een plakje cake; wortelcake, dat kunnen ze goed in Angelsaksische landen, heerlijk nat en zacht met een dikke laag roomkaas-icing erop, hmmmm…


Ik heb ook nog even de route bekeken; we hebben nog een week te gaan en in ieder geval twee dingen die we zeker willen doen: White Island en de geothermische/vulkanische gebieden rondom Taupo en Rotorua. Mijn oorspronkelijke route is te lang, en ook niet echt zinvol. Ik wilde namelijk na hier via de oostkust naar het noorden rondom de rand van het eiland werken, maar gezien het feit dat het hier wijnland is en we al 2-3 dagen in wijnland rijden, voegt dat niet heel erg veel toe aan onze Nieuw Zeeland ervaring en is het zonde van de tijd en energie. Dus dan is het misschien het slimste en het efficiëntste om toch via de Forgotten World Highway (ik zit al een paar dagen te dubben of die nu echt de moeite waard is of niet, maar uiteindelijk kun je dat nooit van te voren zeker weten!) te gaan, dan het geothermische gebied rondom Taupo te pakken, en al dan niet eerst naar Whakatane voor de White Island of eerst het gebied rondom Rotorua doen. En dan de paar dagen die we na deze dingen overhebben opvullen met dingen dichterbij Auckland.

free counters