Zaterdag 15 november: Matsumoto – Hakone, 428 km

Het was vandaag warmer en een stralende dag, na het druilerige weer van gisteren. We moesten in een apart zaaltje dat helemaal voor ons gereserveerd leek te zijn ontbijten. In onze kamer lag overigens een uitleg hoe je een yukata, of dunne huiskimono, draagt; je zou denken, hoe moeilijk is dat nu… Maar de manier waarop je de twee flappen over elkaar heenslaat is cruciaal! Want als je rechts over links slaat draag je de yukata zoals alleen opgebaarde lichamen die dragen. En omdat de Japanner snapt dat de westerse barbaar al die kleine gedragsregeltjes (hoe eet ik mijn rijst, hoe stap ik over een drempel, hoe draag ik een yukata) misschien een beetje lastig vindt, heeft dit hotel ervoor gekozen alvast een genante veelgemaakte fout te ondervangen door een kleine uitleg te geven…


Terwijl Hans en ik in de lobby zaten te wachten op vertrek zagen we dat er bij de receptie een laag tafeltje stond, en pas toen er een (Japanse) klant stond uit te checken snapte we waar het voor was: voor je bagage, zodat die de grond niet hoeft te raken… En onze chauffeur had voor het inladen van de bagage in de bus speciaal handschoentjes aangetrokken. Dustin had verder nog eens nagedacht over het liftvraagstuk, dat Japanners niet in een lift zullen stappen die de verkeerde kant op gaat zelfs als die maar een verdieping te gaan heeft voor hij terugkomt, en denkt dat het is omdat Japanners niet kunnen en niet leren om probleemoplossend te denken. Wij westerlingen wel, en daarom zullen we spontaan ons plan kunnen aanpassen aan de situatie. Het blijven rare jongens!


We bezochten vanochtend als eerste het Zwarte Raven Kasteel, het oudste kasteel in zijn originele vorm, uit 1504, een “flatland Castle”, en een van de 12 nog originele volledig houten kastelen in Japan (vele anderen hebben inmiddels constructies van beton). Het was vlakbij, dus we zijn er naar toe gewandeld terwijl de bus bij het hotel bleef wachten. Ook bij daglicht zag het er heel mooi en indrukwekkend uit; op een eilandje in een slotgracht, en inderdaad grotendeels zwart – van een afstandje voor het zicht helemaal zwart. De bliksemafwerende vissen op de punten van de daken waren erg mooi gestileerd, en het patroon van de in elkaar hakende daken was ook erg mooi als je naar boven keek.


Ik had thuis al eens over dit kasteel gelezen, het heeft namelijk een verborgen verdieping die je van buiten niet kunt zien, het lijken er 5 te zijn maar het zijn er dus 6. En daarmee had het een strategisch voordeel; omdat ze meer voorraad, manschappen en wapens konden opslaan dan men van buitenaf zou inschatten, zouden ze een belegering beter kunnen doorstaan en zou een eventuele inval verwarring opwekken omdat men verkeerd in zou schatten waar ze waren in het gebouw. Om naar binnen te mogen moesten we onze schoenen uitdoen, die werden in zakken gestopt en die zouden Dustin en Thomas bij de uitgang zetten voor ons zodat wij ze niet hoefde te dragen. We hadden een redelijk beperkte tijd in dit kasteel, wat wel zonde was, maar op zich wel genoeg – als je tenminste goed ter been was, want wat een trappen! Ongelofelijk… En sommige trappen waren zo steil als ladders, en hadden treden van wel 40 cm hoog! Het was echt een heel mooi kasteel, erg indrukwekkend! En koud... die houten vloer is ijzig, alle ramen stonden open dus de wind woei er door heen, brrrrr!


Het interieur was leeg, ongemeubileerd, maar hier en daar stonden vitrinekasten met uitleg over wapens, buskruit, en zo te zien ook wat dingen van het kasteel zelf. Helaas allemaal niet te begrijpen want het was allemaal in het Japans. Maar het donker houten interieur van het kasteel was wel erg mooi. De derde verdieping was de “geheime” verdieping, een soort zolder tussen de tweede en vierde verdieping die geen ramen had en voor opslag diende van eten, wapens en munitie. Naarmate we hoger klommen werden de trappen steeds steiler en de treden dus ook steeds hoger, tot we uiteindelijk de hoogste, zesde verdieping bereikte. Deze verdieping was 22 meter boven de grond en er hing hoog tussen de balken van het dak een klein schrijntje, een versierd zakje, met de typische gestileerde bliksemschichten die we ook bij tempels zien. In 1618 zag iemand schijnbaar een visioen van een godin die hem een zakje gaf en beloofde het kasteel te beschermen als er op de 26e nacht van iedere maand 500 kilo rijst geofferd werd aan haar; men gelooft nu nog dat dat de reden is dat dit kasteel zo goed bewaard gebleven is.


We zijn weer naar beneden gelopen, en bezochten een klein zijgebouwtje dat later aangebouwd is ten tijde van vrede: dit was een “maan-kijk” gebouwtje, met grote ramen en balkonnen op het oosten, noorden en zuiden. Er zijn schijnbaar nog maar twee kastelen over in Japan die een maan-kijk gebouw hebben… Beneden onderaan het maan-kijk gebouwtje was de uitgang, en daar stonden keurig de zakken met onze schoenen erin. Brrrrr, toch wel weer lekker om ze aan te kunnen doen na een half uurtje op die koude gladde houten vloeren te lopen! We hebben nog even de buitenkant van het kasteel bewonderd en toen was het onderhand weer tijd om door te gaan. We waren echt erg onder de indruk van dit kasteel, we vonden het heel erg mooi; jammer dat het van binnen eigenlijk een lege schil is en dat er bijna geen uitleg in het Engels is, maar toch een indrukwekkend gebouw! Echt een stoer samuraikasteel…


Na nog even een paar foto’s van buitenaf over de slotgracht liepen we terug naar het hotel waar de bus stond te wachten, en zijn we in een klein uurtje naar de grootste wasabi farm in Japan gereden, Dai o Wasabi. Het was haast een klein attractieparkje, en Hans en ik hadden al zoiets van oh nee hé bij de ingang, maar we hebben er toch best wel leuk rond kunnen lopen en het was erg interessant.


Schijnbaar is echte wasabi moeilijk vers te houden, en is wat wij in Europa denken dat wasabi is eigenlijk meer gewoon mierikswortel. Dustin zei ook al dat het weinig zin had om de tubes wasabi-pasta die ze hier verkochten te kopen, want die bleven niet lang genoeg vers. We konden in het winkeltje een paar dingen proeven die met wasabi bereid waren, en je voelde je scalp tintelen! Toen was het door naar de wasabi-velden. De wasabi-wortel is schijnbaar best moeilijk te kweken; de wortels moeten erg vochtig gehouden worden, en de temperatuur van het water is cruciaal. Hier was een bergstroompje omgeleid en gekanaliseerd voor de wasabi-kweek, en waren de omstandigheden eigenlijk perfect, maar dan nog duurt het twee jaar voor een wasabi-wortel klaar is voor verkoop. Overal zagen we kleine waterkanaaltjes, met in kiezelsteentjes geplant de wasabi-plantjes, in verschillende staten van ontwikkeling. Er was zelfs een hele rivierbedding veranderd in een wasabi-veld, met allerlei geultjes en kanalen. We vonden het dus onverwacht leuk om er rond te kijken! En er waren allerlei dingen met wasabi erin om te proeven; het wasabi-softijs hebben we maar overgeslagen...


Terwijl we er rondwandelde roken we bij een klein tempeltje een nogal vieze penetrante lucht; een beetje een kotsluchtje. Dustin moest lachen en vertelde dat dat de ginkgovruchten waren die we roken. En inderdaad, de grond was bedekt met de prachtige gele ginkgobladeren, en glibberige oranje vruchten, ter grote van een dadel… En ze stonken! Maar de bomen zijn eenslachtig, dus mannelijke bomen produceren geen vruchten. En het duurt zeker 20-30 jaar voor een vrouwelijke boom geslachtsrijp is, dus ik besloot mezelf over de penetrante lucht heen te zetten en een paar pitten te zoeken voor in de tuin thuis… Tegen de tijd dat eventuele vrouwelijke bomen aan vruchten begonnen waren wij waarschijnlijk al lang verhuisd en zou het een probleem voor de volgende eigenaren worden! Want de lichtgroene blaadjes in de zomer zijn mooi, maar de felgele blaadjes in de herfst zijn echt prachtig, en ik zie de combinatie al helemaal voor me met de dieprode bladeren van de esdoorns… Ik heb de stinkende pitten in een boterhamzakje gewikkeld dat ik bij had, diep in mijn tas gestopt en later, nadat ik ze een beetje gedroogd heb op een hotelkamer die we konden ventileren (!) in een tweede zakje in de koffer gedaan. Brrrrrr want ze stonken behoorlijk! (je moet iets overhebben voor een mooie tuin moeten we maar denken…)


Toen we weer terug in de bus zaten hebben we onderweg af en toe al Mount Fuji gespot, die in het Japans, als ik het goed begrepen heb, samen met twee of drie andere bijzondere bergen met de beleefde term "san" aangesproken wordt, dus Fuji-san in dit geval. De lunch was een Japans/Koreaanse BBQ-lunch (inbegrepen in het programma) in een familierestaurant, met uitzicht vanuit het parkeerterrein op Mount Fuji in de verte. We hadden geluk want de lucht was mooi helder en blauw en de berg was goed te zien – alleen bij het topje hing een klein wolkje. Hans en ik maakten ons enigszins zorgen over de lunch, het restaurantje zag er namelijk nogal fastfood-achtig uit. Maar uiteindelijk was het gewoon je eigen vlees barbecueën en best lekker. Er waren veel Japanse bijgerechtjes die je kon pakken of ter plekke bereiden, zoals een vitrine vol sushi en sashimi, en een grote ketel bouillon waar je bevroren porties udon noodles in gooide om gaar te worden, en veel keuze uit allerlei soorten vlees, gemarineerd en gewoon.


We hebben per ongeluk de natto, het gezondheidshapje, een soort gefermenteerde soja, geprobeerd omdat het op een van de sushi’s zat. Geen succes! En de rijststijfselbolletjes met zoete siroop erop smaakte eigenlijk weer nergens naar. Maar ja, Japanners houden van subtiele smaken… Het barbecueën zelf was lekker en leuk, aan je tafel boven een brandertje. Als toetje kon je softijsjes pakken, en Hans spotte een suikerspinmachine dus die heeft even gauw een grote suikerspin in elkaar gedraaid die we lekker samen onderweg naar de bus opgepeuzeld hebben. Inmiddels was het wolkje voor Mount Fuji ook verdwenen!


De laatste paar uur rijden naar Hakone deden we volgens Dustin binnendoor, door de bergen, zodat we Mount Fuji konden spotten. En wonder boven wonder hing hij niet in de wolken – dat lag aan het seizoen volgens Dustin, op andere tijden van het jaar is het veel moeilijker voor zijn groepen om Fuji helemaal vrij te zien, nu zijn de dagen vaak nog helder. We reden de bergen in en kwamen op gegeven moment langs een mooi veld met bruine droge rietpluimen tegen de heuvel aan, erg mooi. Ik dacht nog, dat zou echt een fotokans zijn voor Japanners, die gek zijn op het maken van selfies in mooie omgevingen. En inderdaad, er liep een pad doorheen en daar was het zwart van de Japanners die foto’s aan het maken waren!


In Hakone aangekomen, heeft de bus ons afgezet bij de Hakone ropeway kabelbaan, en zou zelf via de weg naar boven rijden. Het was inmiddels al 16 uur en het duurde een half uur voor we kaartjes hadden en door de drukte in een bakje zaten. Uiteraard werd er weer extreem voorzichtig omgesprongen met de veiligheid… Terwijl we om 16:30 omhoog gingen begon de zon al onder te gaan. Via een tussenstation kwamen we om 16:45 boven bij de Owakudani natural hot springs aan, maar eigenlijk begon het al erg donker te worden en om 17 uur ging het dicht. De planning was dus niet echt succesvol!


Maar we hebben nog even van de stomende bergen en de pruttelende heetwaterbronnen kunnen genieten, en het uitzicht op Mount Fuji als silhouet in de ondergaande zon. Een aantal van de bronnen waren dichtgemetseld met kwakken beton, en eentje was helemaal ingedamd en met beton verstevigd. Veel “natural” was er dus niet aan. Als je zoiets nog nooit gezien hebt zijn de stomende wolken, het dampende en kokende melkachtige water en de zwaveldampen wel leuk om te zien (mits het natuurlijk niet te laat is) maar wij hebben in IJsland zo veel van dit moois gezien, en wel gewoon natuurlijk, dat dit niet echt veel toevoegde. Het winkeltje was wel grappig; we merken dat iedere bijzondere (en toeristische) plek, of het nu een heetwaterbron of een tempel is, probeert iets unieks lokaals qua eten te verkopen. Hier waren het “7-jaar” eieren, eieren gekookt in de zwaveldampen, waarvan de schil helemaal zwart uitgeslagen is. Als je er eentje at voegde dat 7 jaar aan je leven toe, schijnbaar…


Om 17 uur deed de omroepinstallatie omroepen dat het gedeelte van de heetwaterbronnen gesloten werd, en zijn wij teruggewandeld (het was inmiddels ook gewoon echt te donker, het was al volop aan het schemeren en de zon was enkel nog een rode gloed tussen de bergen) en even het winkeltje ingedoken. Alles wat hier verkocht werd had het thema “zwart”, zwart van de zwavel. Ze verkochten buiten ook zwart softijs, van inktvisinkt! Om 17:30 zijn we vertrokken richting ons ryokan-hotel, oftewel traditioneel hotel.


Dustin liet de chauffeur echter eerst nog even een kleine stop maken in een buurtsupermarktje, want, zoals hij zei, we kregen vanavond een traditionele maaltijd en hoe leuk dat ook kan zijn, het hoeft niet per se je smaak te zijn, dus dit was de laatste kans om nog iets lekkers te kopen voor savonds na het eten! Hans en ik besloten dus maar om twee blikjes ananas te kopen; dat is het meest neutrale wat je in een vreemd land kunt kopen dat altijd smaakt – ingeblikte ananas is over heel de wereld (zelfs in Japan) hetzelfde – en mocht het eten inderdaad zo erg zijn dan konden we onszelf daar in ieder geval mee troosten – en anders gingen ze gewoon mee naar de volgende plek of desnoods mee terug naar huis. En wij hadden onze individuele koffiefilters, waterkokertje, mokken en stroopwafels bij (net zoals in Rusland, wat ons toe goed bevallen was) dus we kwamen de avond wel door!


Er was weinig traditioneels aan het hotel om te zien – je denkt dan toch een mooi houten gebouw te zien. Maar het was gewoon een modern hotelgebouw. Er stond (uiteraard) een parkeerwachter ons naar onze parkeerplek te loodsen, lastig, want het was hier heuvelachtig en er waren kleine bochtige weggetjes. Hans en ik hadden gekozen voor een westers bed – je kon ook als je wilde op de grond slapen op een futon, maar dat hebben we genoeg meegemaakt in Noord Korea, waar zelfs de bedden gewoon planken waren, dus nee dank je! De kamers waren groot, eerder miniappartementjes, met een keuken/zit gedeelte, een slaapgedeelte, een badkamertje en een aparte tatamimatten ruimte, de “zitkamer” met tv en koffietafeltje. Daar zou je dan eventueel slapen als je op de grond wilde slapen. Nu zijn ze in Japan panisch over het met schoenen en zo over tatamimatten gaan, dat is gedeeltelijk vanwege de hygiëne, maar ook gewoon omdat ze bang zijn dat de matten beschadigen. Wij hadden er in ieder geval niets te zoeken!


Hans en ik hebben de kamer een beetje verkend, en vooral ook gezocht naar hoe we de airco lager moesten zetten want die stond op volle kracht warmte te blazen, maar alle knopjes op de afstandsbediening waren in het Japans. Uiteindelijk kreeg Hans het voor elkaar, pfffff! Dat was een beetje te veel gastvrijheid wat ons betreft! Toen we in de badkamer kwamen moesten we erg lachen: er lagen in het halletje sloffen, maar in het aparte wc-tje lagen ook sloffen – voor de westerse barbaar duidelijk gemarkeerd met “toilet” zodat die zich niet kan vergissen… Want de Japanners zijn zo geobsedeerd met hygiëne, dat ze niet alleen hun schoenen in hun huis uitdoen en huissloffen dragen (kunnen we op zich wel begrijpen natuurlijk), maar daarnaast aparte sloffen hebben voor de wc!


Dustin had gevraagd of iedereen naar de eetzaal wilde komen in yukata en (als je dat alleen te koud vond) het speciale jasje voor eroverheen. Om 19 uur stonden we beneden en was er grote hilariteit om iedereen op zijn plek te krijgen onder de lage tafeltjes. Wij zijn dat knielen natuurlijk totaal niet gewend, en kunnen het door onze lichaamsbouw ook amper volhouden. Maar ook in Japan begint enige vorm van gemak te ontstaan – niet iedereen knielt altijd meer op de grond, en ook hier hadden ze speciale zittingen waar het kussentje op lag waar je normaal gezien op zou knielen. In feite een stoel zonder poten. Met die zittingen konden we enigszins normaal onder het tafeltje zitten, al moesten de wat minder flexibelere mensen en de mensen in het midden van de tafel geholpen worden bij het aangeschoven worden! Japanners hebben ook iets met de nummers 3,4 en 5. 4 brengt geloof ik ongeluk, want tafels worden hier of voor 3, of zoals hier voor 5 gedekt. We kregen een prachtig gepresenteerde traditionele maaltijd, wat niet alleen leuk was maar vooral ook lekker! Hans en ik hadden later terug in de kamer geen noodzaak om de ananas aan te breken, maar we hadden wel lekker als enige in de groep koffie, want er werd geen koffie geschonken bij de maaltijd.


free counters