30 juni 2007: Ásbyrgi – Reykjahlíð, 125 km

De wandeling gisteravond was mooi, we hebben op het puntje van het “eiland” een prachtig uitzicht over de kloof gehad en de meeuwen vlogen vlak voor ons door de lucht, alleen ik kreeg onderweg behoorlijk last van buikpijn EN hoofdpijn. Ik denk vooral van de vermoeidheid, aangezien we vandaag behoorlijk veel en zwaar gewandeld hebben en ook gewoon heel de tijd onderweg en aan het rijden. We hebben stevig doorgelopen maar zijn toch ruim anderhalf uur onderweg geweest, en waren iets na 10 uur s’avonds weer in de camper. Ik ben al gauw naar bed gegaan en Hans heeft eerst nog even wat mailtjes beantwoord, en in plaats van rillen van de kou was het vannacht toch meer puffen van de warmte !


Nadat we de camping verlieten zijn we eerst nog even richting het diepste punt van de Asbyrgi kloof gereden, waar we een korte wandeling van een uurtje gemaakt hebben naar het meertje, door een berkenbosje en naar een schitterend uitzichtspunt over de hele kloof. Het was toch zo’n 3,3 kilometer rijden naar het parkeerterreintje vanaf de camping, dat hadden we gisteren op de fiets dus ook gedaan denkend dat het veel korter was!


Vandaag zijn we naar Rejkyahlid gereden. Oorspronkelijk waren we van plan geweest om niet de voorgestelde route van 107 kilometer te rijden (aangezien die 70 kilometer gravel zou zijn, waarvan grote delen zelfs heel erg slecht) maar terug te rijden via Husavik, zo’n 180 kilometer en allemaal bekende weg, maar wel allemaal asfalt. Met deze alternatieve route zouden we wel een mooie waterval missen, maar we hadden het er gewoon niet voor over om dat hele eind over slechte gravel te hobbelen. Eerst besloten we echter nog even iets verder door te rijden in de andere richting, om de baai waar we aan lagen te verkennen. Toen we bij de afslag kwamen die naar de waterval zou leiden zag de weg er zo goed uit, en was het duidelijk dat ze bezig waren de weg vlak te maken, dus besloten we toch maar te zien hoe ver we zouden komen richting de watervallen!


De rit was rustig voor zo’n 25 kilometer, we reden door een licht glooiend heideachtig landschap, en de weg was boven verwachtingen goed – we konden meestal rond de 70 kilometer per uur rijden, wat niet slecht is voor gravel! Opeens zagen we kliffen verschijnen voor ons en reden we al gauw langs een fantastische, slingerende canyon die zich zo’n 500 meter breed en 50 meter diep in de basaltkliffen uitgesneden had, met een woeste grijze rivier onderin…al gauw verscheen het eerste bordje voor een uitzicht, dat ons via een klein steil zandweggetje tot bovenaan een hoge klif bracht met een fantastisch uitzicht over de onder ons slingerende canyon en de Hafragilssfoss waterval. Een waanzinnig mooi uitzicht, overal waar je keek zag je alleen maar vergezichten die je in bijzondere documentaires verwacht of mooie fotoboeken, en wij kunnen er zomaar naar toe rijden!


Het landschap was voornamelijk vulkanisch zwart en grijs, met hier en daar wat rood en bruin, overal basaltkolommen en versteende lava, en weinig begroeiing behalve mos en kleine struikjes langs de rivier en waterval. In de steile wanden van de canyon kon je de lagen lava en basalt zien zoals ze in de loop der tijden door vulkanen uitgespuugd moesten zijn geweest, netjes horizontaal op elkaar gestapeld. De rivier was woest kolkend en ondoorzichtig, en had een loodgrijze kleur van al het vulkanische modder en slib die het meesleurde richting de zee. In een rustig inhammetje in een bocht van de canyon had het water de kans om het slib dat het meedroeg af te zetten en daar was het water helder, terwijl het grijze water draaikolkjes maakte aan de randen van deze rustige poel. Stroomopwaarts in de verte konden we de Dettifoss al zien bulderen, de waterval waar het eigenlijk om ging.


Na een kort ritje kwamen we bij de Dettifoss aan, die bijzonder was om zijn kracht en volume – het water stort 44 meter diep en is daarmee een van de grootste watervallen op IJsland – zijn loodgrijze kleur en de hoge steile basaltwanden aan alle kanten. En we konden na een korte wandeling aan de rand van het water staan waar het de afgrond in stortte. Die zwarte en grijze omgeving waar deze watervallen zich in bevinden geven ze een bijzondere sfeer; het zand aan de randen is gitzwart, de rotsen donkergrijs en zwart, en het water zelf loodgrijs van het slib. Het klinkt misschien saai of somber maar het is juist bijzonder mooi – vinden wij in ieder geval! We hebben een tijdlang bij deze waterval staan kijken en genieten van het geraas en de kracht van al dat water, en van de mooie dubbele regenboog die in de omhoogkomende mist vormde, en gingen toen weer op pad richting Reykjahlid, waar we een paar dagen zullen blijven.


Zo goed als de weg tot nu toe was, zo slecht werd hij nu! Van de 35 kilometer die we nog te rijden hadden naar de snelweg was denk ik zo’n 34,5 kilometer pure wasbord…ribbeltjes in de wegbedekking waardoor harder rijden als stapvoets een ware hel wordt! Vooral omdat de ribbeltjes niet altijd even breed zijn dus iedere keer als Hans het ‘ritme’ een beetje te pakken kreeg en de camper op een snelheid hield die dragelijk was, veranderde de ribbels en hoste en trilde alles weer door elkaar! We zijn er heelhuids uitgekomen met als enige schade dat er nu overal fijn zwart vulkanisch stof ligt en we de pannen en borden letterlijk af moeten vegen voordat we ze kunnen gebruiken…het landschap was een grote kale zwarte rots en zandwoestijn met in de verte hoge bergen met de sneeuw er nog op en hier en daar een enkel plukje groen. Savonds op de camping gekomen hoorde we dat een van onze groep op dit stuk weg vast was geraakt in de steile berm, scheef was geraakt en door een 4WD eruit getrokken moest worden…pffff precies waar Hans en ik bang voor zijn dus!


Vlak bij Reykjahlid zijn we eerst nog even gaan kijken naar een groot modderveld, Namafjall, dat je al van verre kon ruiken! De lucht van rotte eieren was in de camper al sterk toen we er aankwamen, maar eenmaal uitgestapt was het even wennen, ondanks het feit dat we die lucht inmiddels helemaal niet meer zo vervelend vinden…al het warme water dat we op campings tegenkomen sinds Reykjavik is zwavelachtig en zacht als zeepsop. Tot nu toe hadden we vooral door zwarte woestijn of tussen zwarte bergen gereden, maar Namafjall is een felgekleurde puinhelling van rood, oranje, geel en wit. Overal zie je sissende stoom uit witte, felgele en donkergele vlekken komen, en de geur van rotte eieren is intens. In de oranjerode puinvlakte onder de Namafjall lagen vele geel en witte vlekken (een teken dat het daar erg heet kan zijn en waarschijnlijk kookt) en ook een paar ondiepe kratertjes van 20 centimeter breed tot een paar meter. In deze kraters borrelde grijze modder; soms was de modder meer vies water dan modder, en dan kookte het fel, maar soms was de modder dik slib en dan pruttelde het als dikke soep zo uit de grond. Sommige modderpotten waren inmiddels al weer opgedroogd, dan bleven er abstracte gele, witte en grijze kringen over. En op een aantal plekken stonden kleine steenhoopjes als fluitketels luid te sissen! Heel indrukwekkend om te zien, Hans en ik hadden eigenlijk al niet meer gehoopt om echte kokende modder te zien maar dit was boven verwachtingen! Luguber en stinkend en bizar; het is zo vreemd om te zien hoe de natuur zo heftig tekeer kan gaan, en om te bedenken wat voor een enorme kracht er nog vlak onder het oppervlakte zit. Ik las dat het op deze plek op 1000 meter diepte 200 graden kan zijn.


Nadat we hier onze ogen uitgekeken hadden zijn we doorgereden naar de Krafla, een slapende vulkaan die in de jaren 80 actief was en nu afgetapt wordt door een geothermische energiecentrale. De combinatie van glimmende pijpen die letterlijk uit de berg steken en stomende centrales samen met natuurlijke hete bronnen, stomende spleten en riviertjes wit van de zwavel tussen grote grillige zwarte lavavelden maakte dit ook een bijzonder ritje. Wij reden tot boven aan de heuvel, waar na een kilometer lopen door zwarte lavavelden die over elkaar heen gestroomd waren en gebarsten alsof een reus met een drilboor erop af was gegaan we een bijzonder meertje vlak onder de Leirhnjukur krater bereikte. Dit meertje was hel lichtblauw, stomend en kokend, in de vorm van een aantal aan elkaar verbonden ringen, en omringd door kringen van grijze, witte en zwavelgele minerale afzettingen. Het water was min of meer helder, een beetje melkwit, en onderin zag je een dikke laag blauwgrijze slib waar bellen lucht ronde vormen in hadden gemaakt. Te bizar voor woorden! Ik had nog een beetje buikpijn maar kreeg nu ook last van een steek in mijn zij dus ben bij dit mooie vreemde meertje gebleven terwijl Hans nog het steile pad omhoog nam om over de rand van de krater te kijken. Hij vertelde dat er een laag lava in lag waar stoom uit de barsten kwam, en dat je zo ver als je kon kijken lavastromen zag lopen in het landschap.


Wij zijn ook nog even doorgereden naar de Viti krater maar deze was oninteressant in vergelijken met de Leirhnjukur, gewoon een krater met onderin een mooi blauw meer. Na een korte winkelstop in Reykjahlid zijn we rond half vijf aangekomen op de camping iets buiten het dorpje, aan de rand van het Myvatn meer. We hadden ons bij de Leirhnjukur beseft dat we vergeten waren te lunchen dus zijn na een korte rustpauze aan het eten begonnen, heerlijke spaghetti met balletjes. We zijn na de stevige wandelingen van de laatste dagen en alle prachtige indrukken behoorlijk moe, dus morgen wordt een rustdag!


free counters