Donderdag 2 april: Fionnphort - Fort William; 171 km gereden

Vanochtend zijn we op ons gemak opgestaan en hebben een heerlijk ontbijtje gehad met uitzicht op zee (en het eiland Iona). Ik was nieuwsgierig naar het traditionele ontbijt van “kipper” (een soort gerookte en gebakken haringachtig) en besloot dat het hier veilig was om het te proberen. Erg lekker, maar ik heb er nog lang van mogen nagenieten! Na het afrekenen en een mislukte poging om geld te pinnen in het kleine supermarkt/bakker/postkantoor/bank van het dorp zijn we maar naar de pier gelopen om op de boot te wachten die om 10 uur zou vertrekken. Ik had sochtends gevraagd aan de eigenaar van de B&B of we moesten boeken voor de boottocht en zij had na een telefoontje naar de organisator aangegeven dat er nog twee anderen waren dus de boot wel naar Fionnphort zou komen maar het nog maar afwachten was of hij zou vertrekken. Nou er was opeens ergens uit het niets een buslading mensen neergestreken, dus het bootje zat vol, wel 40 man uiteindelijk!

Na een stevige vaartocht van een uur over een enigszins ruwe zee – er leken al een paar een beetje misselijk te worden – kwamen we aan bij het eiland Staffa... we wisten eigelijk niet zo goed wat te verwachten, los van dat er basaltrotsen zouden zijn. Het viel niet tegen! Een laag vulkanisch as (gewoon grijze steen) met daarop een laag dikke verticale basaltkolommen van zo’n 10 meter hoog, en daar bovenop een laag basalt waarin de 6-hoekige structuur wel aanwezig was, maar alle kanten opging; zoals we ze in IJsland gezien hadden. In de basaltlagen zaten meerdere grotten op zeeniveau waar we met de boot langs voeren, maar eentje, Fingal’s Cave, had een spannend-uitziende balustrade langs de klifwand ernaartoe... En ja hoor, nog iets verder voorbij de klif waar deze grot in zat was een piepklein haventje met een ongelofelijk steile glibberige trap in de basaltkolommen. Hier meerde we aan en mochten we aan land om rond te snuffelen.

Het bootje vertrok weer om buiten in de baai rond te dobberen, en wij liepen om de klifwand richting de grot. Echt een hele bijzondere wandeling! We liepen van 6-hoekig blok naar blok, links van ons rolde de golven rustig tegen de stenen aan, en rechts van ons was een solide muur van de grote verticale basaltkolommen... Voor de zekerheid steeds maar de reling vasthouden want al was het prachtig kalm zonnig weer, het basalt was best glad als het nat was en het pad was af en toe best steil en nauw tegen de bergwand geplakt. Er was ook niet echt een pad in die zin, meer een route uitgestippeld over en langs de basaltblokken die het beste begaanbaar was, met hier en daar wat beton om te helpen! De grot zelf was ook heel erg mooi, toch een flink aantal meters de bergwand in, en onder ons stroomde de zee in en uit...

Nadat we op het basalt “strand” naast de basaltklif een beetje uitgekeken waren gingen we nog even naar boven via een hele steile trap, om vanuit boven al de basaltformaties te bekijken. Toch was het bijzonderder om aan de zeekant te zitten, dus gingen we al gauw naar beneden om nog een tijdje te genieten van de golven, de zon en de warme zwarte basalt om ons heen. Na een dik uur kwam het bootje ons weer ophalen, onderweg terug naar de haven hebben we nog wat zeehonden gezien, lekker luierend op strandjes en rotsen, en rond 1 uur werden we weer afgezet in Fionnphort, na een heerlijk ochtendje op zee!

Ons “plan” voor vandaag was om vooral van het eiland af te komen, en daarna eigenlijk min of meer al weer een plek te zoeken om te slapen. Maar we hadden ook geld en benzine nodig, en dat bleek nog een hele toer. Alsof we in de Outback van Australiëzaten! We konden namelijk nergens iets vinden; kleine, mobiele pinautomaten in winkels of pubs weigerde onze buitenlandse kaart te accepteren of bevatte geen geld, en de benzine stations op het eiland waren of gesloten, of leeg, of zo vreselijk duur dat we toch maar besloten door te rijden... Eenmaal bij de ferry tussen Fishnish en Lochaline (onze verbinding met het vasteland) aangekomen begon de benzine toch wel erg belangrijk te worden, maar ja, het leek er echt op dat de dichtstbijzijnde tankstations op dit deel van het vasteland in Fort William waren, zo’n 110 kilometer rijden! Gelukkig hadden we een jerrycan gevuld, waarmee we het makkelijk haalde, maar het was toch wel even typisch om te beseffen dat je er dus niet van uit kunt gaan dat je overal onbeperkt in Schotland kunt tanken (of pinnen!).

In Fort William hebben we alles weer volgetankt, en vond ik een pinautomaat die het deed, geld bevatte en zelfs onze kaart herkende; dus die heb ik zo veel mogelijk leeggetrokken. En omdat het onderhand al weer tegen 17 uur was werd het hoog tijd om iets voor de nacht te zoeken! Iets buiten de stad zagen we een groot, vergane glorie hotel, dus meer uit nieuwsgierigheid dan iets anders besloot ik even te gaan vragen hoe duur een kamer was. We gingen er al vanuit dat het niet binnen ons budget zou passen! Ik was al bijna gelijk weer naar buiten gelopen want op het bordje naast de receptie stonden de “huidige” prijzen, en dat was 140 pond voor een kamer!!! Maar het meisje bij de receptie was aardig en al gauw bleek dat ze ook een “budget” kamer had voor 60 pond, inclusief ontbijt... Of, zo bleek na nog wat doorvragen, zelfs 90 pond, halfpension. Eigenlijk een koopje dus, en dus niet de moeite waard om nog extra energie te steken in het doorzoeken... Zoals ze uitlegde, ze moesten wel dit soort prijzen hanteren deze tijd van het jaar omdat ze bijna geen gasten kregen... Dus nu liggen we op het meest achteraf gelegen kamertje van dit grote, vergane hotel, en hebben we net een heerlijke maaltijd gehad in de enorme eetzaal. En de jonge ober die ons bediende bleek Zuid Afrikaan te zijn dus we hebben ook nog lekker een beetje over Afrika kunnen kletsen – totdat hij duidelijk een spreekverbod kreeg, waarschijnlijk omdat dat met de gasten kletsen niet “sjiek” was...

free counters