Herfst 2015: WW1 Slag om de Somme, Frankrijk

Hans en ik zijn allebei geïnteresseerd in de Eerste en Tweede Wereldoorlog, en het bezoeken van begraafplaatsen, slagvelden en monumenten is een onderdeel van onze reizen geworden – als we de kans hebben om iets te bezoeken onderweg zullen we het zeker doen! Al doen we (zeker tegenwoordig) in bijna iedere reis wel iets bezoeken over de Wereldoorlogen, het was inmiddels al weer lang geleden dat we een uitstapje hadden gemaakt dat echt alleen maar op de Eerste of Tweede Wereldoorlog gericht was. De laatste keren warenBelgië (WW1) in 2005 en Normandië (WW2) in 2006 geweest.

Twee jaar geleden had Hans voor zijn verjaardag van mij een boek gekregen met verschillende routes langs bijzondere gebieden van de Eerste Wereldoorlog in België en Frankrijk. We hadden deze herfst zin in een klein uitstapje en besloten een van die routes, in het Somme-gebied, als inspiratie te gebruiken voor een weekendje volledig gewijd aan deze hobby! We hebben een hotelletje geboekt in het plaatsje Albert, dat strategisch lag midden in het gebied, en hebben een kleine selectie gemaakt van de 368 geallieerde begraafplaatsen in het Sommegebied, twee Duitse begraafplaatsen, en verschillende monumenten uitgezocht, van enorm tot klein...

Op deze website kun je veel informatie vinden over de Slag om de Somme: www.nationalarchives.gov.uk/pathways/firstworldwar/battles/somme.htm

Het was heerlijk zonnig zacht warm herfstweer, bijna nazomer! En we hebben lekker samen een heel weekend rondgereden van bezienswaardigheid naar bezienswaardigheid met een auto vol picknickdingen en iedere ochtend een thermos heet water voor verse koffie. Hieronder vind je wat van de vele foto's (het was zulk mooi weer met de zon en de herfstkleuren!) en korte omschrijvingen van wat we bezocht hebben.


Vrijdag 30 oktober: Thuis - Albert, 251 km

Ik ben vrijdag eerder naar huis gegaan van mijn werk en Hans had krentenbollen gesmeerd en alles verder klaargelegd om mee te nemen. We hebben vroeg gegeten, onze spullen in de auto gelegd en zijn na het eten gaan rijden richting Noord-Frankrijk. We hebben er een half uurtje langer over gedaan dan verwacht omdat er een ongeluk gebeurd was in de buurt van Antwerpen, maar waren toch uiteindelijk wel rond 21 uur in ons hotel.

We moesten wel een beetje lachen toen we het hotel instapte - overal zag je rode klaprozen, het (oorspronkelijk Engelse) symbool van de Eerste Wereldoorlog. De vloerbedekking in de gangen, de nummerbordjes van de kamers, en natuurlijk op de balie van de receptie. Maar tegelijkertijd was de receptie en entree uitgebreid versierd met Halloween-versiersels, dus het was een beetje een aparte mix! Onze kamer was denken we misschien wel een van de best ontworpen hotelkamers waar we ooit in waren geweest; alles was zo goed uitgedacht, met name het kleine maar slimme badkamertje. We hebben lekker een kopje verse koffie gemaakt met ons reiswaterkokertje en individuele koffiefilters, met een roze koek erbij, om de start van ons weekendje weg te vieren!


Zaterdag 31 oktober: Somme Regio, 86 km

Na een prima nacht hebben we vanochtend lekker een krentenbol genomen (het ontbijt zou 9 euro per persoon per dag kosten, en dat vonden we een beetje te gek voor een Frans ontbijtje!) en de thermos gevuld met kokend water voor onderweg. Ik had een route uitgestippeld langs alles wat ons enigszins interessant leek in dit gebied, en omdat we inmiddels geleerd hebben om routes niet meer op tijd te plannen, alleen op afstand, besloten we op het verst-gelegen punt van het hotel af te beginnen – van daaruit werd de afstand terug naar het hotel steeds korter, mochten we op gegeven moment klaar zijn voor vandaag. Het verste punt was in dit geval Sheffield Memorial Park, en we zouden langs de snellere provinciaalse wegen ernaar toe rijden om dan meer binnendoor van daaruit terug naar Albert te rijden.

Eerst bezochten we echter Pozières British Cemetery, dat onderweg lag vlakbij Albert. We stonden er al om 9 uur s’ochtends voor de poort, en waren eerst nog bang dat we er niet in konden maar de poort was gelukkig gewoon open. Het was een mooie begraafplaats met een hoge muur erom heen en een grote ornate poort – die vormde samen de “Pozières Memorial to the missing” waarvan de muren bedekt waren met namen van gevallenen uit de regio die nooit meer gevonden zijn. Er waren 2760 graven, en de graven maar ook de muren met namen lagen vol met klaprozen in allerlei vormen en maten – van de ouderwetse gestileerde papieren klaprozen tot realistische stoffen klaprozen, gehaakte wollen klaprozen en zelfs een ceramische klaproos die komt van de bijzondere kunstinstallatie “Blood Swept Lands and Seas of Red” uit 2014 waarbij de slotgracht van de Tower of Londen geleidelijk aan gevuld werd met bloedrode ceramische klaprozen, tot er op Remembrance Day 2014 (11 november) totaal 888,246 stonden. Iedere klaproos stond voor een gesneuvelde Brit. Het was dus wel bijzonder om zo’n ceramische klaproos terug te vinden in Pozières!

Vlakbij deze begraafplaats was, tegenover elkaar, The Windmill en de “Tank Corps Memorial” te vinden. The Windmill was de plaats waar vroeger een windmolen gestaan had op een natuurlijke verhoging in het landschap: omdat het daardoor een strategische plek werd is er in het begin van de Slag om de Somme hevig om gevochten door de Australiërs die er zware verliezen hebben geleden.

Het “Tank Corps Memorial” was apart om te zien: een obelisk met op iedere hoek een klein model van een tank – de kanonslopen konden zelfs bewegen – en het “hek” eromheen bestond uit 6-ponder tank-lopen verbonden met tank-aandrijvingskettingen. Het stond op deze plaats omdat vlakbij hier voor het eerst “de tank” door het Britse leger als nieuw wapen ingezet werd in de Eerste Wereldoorlog.

Vlakbij stond een bordje langs de weg met de tekst “Ligne de Front 1er Septembre 1916” – we hebben dit weekend verschillende van dat soort bordjes gezien. Ze geven aan waar op bepaalde momenten in de tijd het front zich bevond; het was wel apart om te zien hoe de bordjes voor 1 juli en 1 september eigenlijk nog geeneens zo ver uit elkaar lagen!

We reden nu richting het volgende punt op ons programma, maar kwamen onderweg nog allerlei begraafplaatsen tegen, zoals Adanac Military Cemetery, en Serre Road No. 1 Cemetery.

Sheffield Memorial Park was waar de Britse frontlijn zich op 1 juli 1916 bevond. Er waren toen 4 kleine bosschages (Matthew Copse, Mark Copse, Luke Copse en John Copse) die tijdens de oorlog volledig verwoest zijn, met alleen nog de versplinterde boomstronken over. Na de oorlog is het hele gebied omheind en zijn 3 van de 4 bosschages terug gegroeid tot een mooi bos. Om er te komen moesten we een hobbelig landweggetje inrijden dat gelukkig wel droog was. De kraters en onregelmatige ondergrond gevormd door granaatinslagen, en zelfs de restanten van loopgraven waren allemaal nog duidelijk in het landschap terug te vinden. Het bos stond vol met monumenten voor verschillende regimenten die zwaar gevochten hadden hier. Het bijzondere hier was dat er, om genoeg vrijwilligers te krijgen, aangegeven werd bij het werven van soldaten dat groepen die samen aanmonsterde ook samen zouden dienen. Dus er ontstonden bataljons die volledig uit een stad kwamen, of een school, bedrijf of club. Dat zagen we terug in de monumenten voor de “Accrington Pals” en voor de “Barnsley Pals”. De verliezen waren hier bijzonder zwaar geweest omdat de Duitsers met machinegeweren het niemandsland controleerde, een strategisch voordeel hadden in het landschap, en iedereen die uit de loopgraven probeerde te komen genadeloos neermaaide. De meesten bereikte de Duitse loopgraven niet eens.

Onderaan het heuveltje bevond zich “Railway Hollow Cemetery”, een kleine begraafplaats van 107 graven met uitzicht op de velden die genoemd is na “Railway Avenue” loopgraaf die vlakbij begon. Opvallend was hier dat er twee Franse kruizen stonden bij de Engelse grafstenen, en de meeste soldaten die er begraven liggen zijn of op 1 juli 1916 of op 13 november 1916 gevallen, in de twee grote veldslagen in dit gebied.

We zien vaak klaprozen op geallieerde begraafplaatsen en monumenten, maar het viel ons dit weekend op hoe veel er overal lagen. Dat had waarschijnlijk wel iets te maken met de 100-jarige viering van het einde van de Eerste Wereldoorlog en dus het grotere bewustzijn van mensen, want we zagen ook heel veel kruisjes, klaprozen en andere gedenktekens die vanuit scholen en dergelijke kwamen. Maar misschien vonden ook veel mensen die anders niet zo’n lange reis kunnen maken (vanuit Amerika, Australië of Nieuw-Zeeland) het nu, 100 jaar later, wel een goede gelegenheid om hun voorouder of familielid op te komen zoeken?

We zijn voor we verder reden ook nog even naar het vlakbij gelegen “Queen’s Cemetery” gelopen, een kleine omheinde begraafplaats midden in de velden en met een mooi onderhouden gras-pad ernaartoe. Queens Cemetery heeft 311 graven en ligt in het oorspronkelijke niemandsland tussen de Duitsers en Engelsen.

Toen zijn we weer verder gereden en stopte onderweg even om kort vanuit de weg naar “Serre Road No. 1 Cemetery” te kijken, die verder niet op ons programma stond omdat er tenslotte wel 368 geallieerde begraafplaatsen zijn alleen al in het gebied van de Somme, en we dus helaas echt niet alles kunnen doen!

Ons doel was “Serre Road No. 2 Cemetery”, een begraafplaats met 7127 graven waarvan 4944 ongeïdentificeerd zijn – dat is de grootste hoeveelheid in een oorlogsbegraafplaats in heel Frankrijk. Deze begraafplaats begon als een kleine begraafplaats vlakbij de toenmalige frontlinie, tijdens de oorlog zelf, om gevallenen een snel graf te geven, zoals zo veel begraafplaatsen in de Eerste Wereldoorlog. Na de oorlog zijn lichamen uit andere kleine lokale oorlogsbegraafplaatsen hiernaartoe gebracht en werd het een van de vele grote “verzamelbegraafplaatsen” met rijen en rijen graven. De graven uit de tijd dat het nog een actief oorlogsbegraafplaats was wijzen nu in een andere richting dan de graven die er later bijgekomen zijn.

Om verder te rijden moesten we weer terug langs “Serre Road No. 1 Cemetery”, en aangezien er naast deze begraafplaats een Franse begraafplaats was besloten we daar even een kijkje te nemen. Het verraste ons om te ontdekken dat deze begraafplaats niet oorspronkelijk Frans was, maar indertijd gemaakt was door de Engelsen om de vele Franse lichamen die ze op de slagvelden tegenkwamen toch ook een menselijk graf te geven. Pas in 1933 werd de begraafplaats volledig overgedragen naar de Fransen zelf. Het viel ons ook op dat op het monument achterin de begraafplaats een regiment met de hand bijgevoegd was – de 243e stond links in reliëf aangegeven, en de 327e rechts, maar in het midden was in een andere stijl duidelijk op een later tijdstip “233e” toegevoegd. Typisch!

Het volgende punt op het programma was een mooie kleine weggestopte begraafplaats vlakbij een spoorweg: “Ancre British War Cemetry”. Deze was heel mooi verstopt achter een hoge muur. Vanaf de weg kon je er niets van zien behalve de trap naar boven, en kwam je eenmaal boven dan stond je aan het begin van een lange, smalle begraafplaats met bomen erlangs. Met de mooie herfstkleuren en het zonlicht een heel mooi gezicht! Iedere begraafplaats in deze regio heeft wel een serie graven van mensen waarvan ze weten dat ze in die begraafplaats liggen, maar niet precies waar. Meestal staan die graven wel op een andere manier ten opzichte van de rest, bijvoorbeeld langs de muren of zo. Ancre had ze heel mooi apart gezet, in twee halve ringen in het midden van de lange smalle begraafplaats met erachter heggen. Ook waren er hier twee monumenten voor graven van soldaten die in kleine begraafplaatsen ter plekke waren begraven en wiens graven in latere gevechten waren vernietigd. Het was onderhand koffietijd en lunchtijd, en al was dit een prachtige plek er was helaas geen bankje of iets waar we echt op konden zitten, dus we besloten door te gaan met de route.

Newfoundland Memorial in Beaumont Hamel was redelijk dichtbij dus dat was onze volgende bestemming. Newfoundland is tegenwoordig een provincie van Canada (sinds 1948), maar ten tijde van de Eerste Wereldoorlog was het een zelfregerend onderdeel van het Britse koninkrijk. Dit was een groot park, en net zoals Sheffield een memorial park dat was ontstaan rondom een slagveld. En er was een heus parkeerterreintje met picknicktafels dus we hadden onze koffie- en lunchplek gevonden! Eerst koffie… We hebben lekker een kopje verse koffie gezet met de individuele filters, een stroopwafel gegeten en zijn toen het park gaan verkennen.

Bij de ingang werden we begroet door een vrolijk Canadese jonge vrouw die er als park-ranger werkte – dat was wel een beetje ver van huis! Maar dit soort plekken zijn bijna altijd eigendom van het land die ze vertegenwoordigen, in dit geval was het dus Canadees grondgebied. Zij gaf ons een plattegrondje van het herinneringspark en wat uitleg hoe we het beste konden beginnen met wandelen.

We begonnen langs de rand van het klein bos te wandelen, en merkte al gelijk dat we in de loopgraven liepen. Newfoundland Memorial Park is onder andere bijzonder voor de uitgebreide netwerken aan loopgraven (Geallieerd en Duits) die nog in oorspronkelijke en redelijk goed geconserveerde staat zijn. En inderdaad, het was een bijzonder effect om in en uit de nog goed herkenbare loopgraven te wandelen.

De bomen van het park waren prachtig, volop in herfstkleuren, en we kregen de indruk dat ze niet Franse boomsoorten waren maar Canadese. Het bekende kariboe-beeld (er zijn er 5 in Frankrijk, allemaal van de Newfoundlandse soldaten) was vanaf allerlei plekken in het park te zien.

Via loopgraven van de Newfoundlanders liepen we het oorspronkelijke niemandsland in, langs de “Danger Tree”, de enigste boom die de slag overleefd had (“overleefd” is een groot woord, de boom is versteend en niet meer dan wat dode takken) en staken we in feite over naar de Duitse kant van het slagveld. Het pad was met een dubbele draad afgebakend, waarschijnlijk uit angst dat mensen het veld op zouden gaan en onontplofte munitie zouden tegenkomen. Onderweg zagen we metalen resten uit het grasveld steken, ook loopgraven met de metalen steunen er nog in, en natuurlijk was het veld gepokt en gedeukt van de vele bominslagen. We bezochten het “Y Ravine Cemetery” onderaan het veld, waar vroeger schijnbaar ondergrondse Duitse bunkers waren. Het lag erg mooi in de schaduw van de grote bomen die na de oorlog geplant waren, en op de grafstenen zagen we vaak een gestileerde kariboe-kop van het Newfoundland regiment.

Via de onderkant van het veld, de Duitse kant dus, liepen we langs de natuurlijke kloof die door de Duitsers gebruikt werd om te schuilen en die door de geallieerde zwaar gebombardeerd werd. Daarom was het nu nog altijd verboden gebied, omdat het er vol zou liggen met onontplofte munitie! Hier vlakbij werd de “Hawthorn mine” opgeblazen – onder een stelling van de Duitsers werd gegraven door tunnelgravers van de geallieerden, die tunnel werd volgestopt met dynamiet, en die werd opgeblazen. De bedoeling was dat dan gelijk de geallieerden de krater in zouden stormen om de Duitsers te overmeesteren, maar in de praktijk was er discussie in de legertop over de juiste aanvalstactiek, en werd besloten het sein om de krater te bestormen pas 10 minuten na het opblazen van de mijn te geven. Dat gaf de Duitsers de tijd om zich in de nieuwgevormde krater te verzamelen en juist de geallieerden te verrassen in plaats van andersom. Plus alle Duitsers in de wijde omgeving waren nu gewaarschuwd… Het werd, zoals zo veel acties, een slachtpartij!

Langs een monument voor de Schotse 51e Divisie zijn we naar “Hunter’s Cemetery” gewandeld, een kleine ronde begraafplaats met 41 graven die gemaakt is op de plek van een granaatinslag. Het was een erg mooie begraafplaats, met de grafstenen rondom de sokkel van een kruis gemonteerd (waarschijnlijk was het een massagraf) en tussen en voor de grafstenen allerlei kleine bloeiende planten. Vlakbij lag een andere begraafplaats, “Hawthorne Ridge No. 2 Cemetery”, waar 200 graven waren van mannen die hier bijna allemaal in de slag op 1 juli gesneuveld waren. Het viel ons hier meer dan op andere plekken op dat sommige grafstenen geen kruis of ander religieus teken erop hadden. Dat was een van de weinige dingen op de grafsteen waar de nabestaanden inspraak in hadden – net als het onderschrift helemaal onderaan, want dan ook soms pijnlijk emotioneel is…

We waren inmiddels bijna helemaal rond het niemandsland gewandeld en liepen via een lange laan van grote Canadese esdoornbomen in herfstkleuren terug naar het kariboemonument.

Het kariboemonument stond op een kunstmatige heuvel, met onderaan op bronzen panelen de namen van 814 vermisten zonder graf. De kariboe zelf stond er natuurlijk prachtig bij in de herfstzon, en bovenaan hadden we een mooi uitzicht over het niemandsland met de Duitse loopgraven in de verte, en achter ons de secundaire loopgraven van de frontlinie, waar communicatie en bevoorradingen door liepen. Pijlen bij het monument verwezen naar alle monumenten, begraafplaatsen en bijzondere locaties in de directe omgeving.

We zijn op ons gemak richting het bezoekerscentrum gewandeld als afsluiting van het park, waar we wat meer geleerd hebben over hoe trots de Newfoundlanders waren op hun identiteit en natuurlijk over de ontberingen aan het front. Het blijft altijd ongelofelijk hoe mensen zo ver van hun thuis reisden om hier te gaan vechten.

Terug op het parkeerterrein hebben we geluncht en terwijl we aten kwam een bus met Engelse schoolkinderen aan; de leraren legde uit dat de enigszins rare kriskras witte lijnen op de parkeerplaats de markering was van een loopgraaf – net als de sporen in het gras van wat wij half dachten dat een auto in de modder was geweest! Opeens zagen wij het ook…

Na een lekkere picknick lunch reden we op ons gemak richting Ulster Memorial Tower, een toren die door de Ieren na de oorlog als monument gemaakt was: het was schijnbaar een kopie van de toren vlakbij hun trainingsterrein in Dublin. Hier was net een buslading Engelsen klaar met hun plas- en koffiepauze – er was namelijk een klein cafeetje achter de toren, gerund door Engelsen. We hadden van tevoren gelezen dat er weinig tot geen mogelijkheden zouden zijn tot eten en drinken buiten de kleine stadjes zoals Albert, vandaar ook onze picknicktas, thermos en koffie, en dit was eigenlijk ook een van de eerste dingen die we tegenkwamen waar je inderdaad iets kon drinken. Eigenlijk hebben we nog heel weinig andere bezoekers gezien, meestal maar een enkeling als wij – los natuurlijk van de bus hier en de bus bij het vorige punt.

Binnen in de toren was een herdenkingskamer vol kransen van klaprozen, vlaggen, schilderijen en schildjes van regimenten en dergelijke. Midden in de ruimte stond een tafel die helemaal vol lag met klaprozen en kruisjes met persoonlijke boodschappen erop. Het viel Hans op dat een van de kransen van de Ulster Unionist Party was. Het was wel een indrukwekkende kamer om binnen te stappen met al die rode kransen!

We hadden al gegeten en gedronken en zijn natuurlijk zuinig, dus we zijn alleen even in het cafeetje gaan rondkijken en een plaspauze houden. Het cafeetje had een kamertje als museum ingericht dat volstond met spullen die in de omgeving gevonden waren, en buiten was een muurtje gemaakt van lege granaathulzen. Buiten waren de Engelsen net achter hun gids aan het veld in aan het lopen, we denken dat hij de slagvelden in de omgeving aan het aanwijzen was – een van hen had wat stukjes verroest schrapnel op het muurtje van het complex gelaten. De grond ligt er ongetwijfeld nog altijd vol van!

Het volgende punt op ons programma was het imposante “Thiepval Memorial to the Missing”, een 45-meter hoge boog gegraveerd met 72.194 namen van Britse en Zuid Afrikaanse soldaten die gevallen zijn tussen juli 1915 en maart 1918 en geen bekend graf hebben. Daarnaast zijn er nog eens 130 namen later toegevoegd op “addenda” – om allerlei redenen, bijvoorbeeld omdat nabestaanden ontdekten dat de naam die ze zochten nergens anders herdacht werd. Het is het grootste monument van de Commonwealth ter wereld. We bezochten eerst even het bezoekerscentrum waar de ontwikkeling van de Eerste Wereldoorlog in het kort op grote panelen was samengevat, en waar er een schaalmodel van het monument te bezichtigen was.

In het winkeltje zagen we naast de rode klaprozen in allerlei vormen en maten nog twee andere bloemen; het witte vergeet-mij-nietje die door de Canadezen was geadopteerd als herdenkingsbloem en die we al een of twee keer gezien hadden ergens, en een blauwe korenbloem die we niet konden plaatsen. De dames achter de kassa legden uit dat met de 100-jarige herdenking de Fransen besloten hadden dat ze ook een herdenkingsbloem moesten hebben, en daarvoor de blauwe korenbloem hadden uitgekozen. Samen had je dus rood-wit-blauw, de driekleur van Frankrijk, en daar kon je weer mooie boeketten van maken, zaadcadeautjes van verkopen, en souvenirs van maken. Een mooi idee al kwam het een tikkeltje commercieel over op ons…

Toen we van het bezoekerscentrum naar het monument liepen konden we het door de ligging van het land en de grote bomen niet zien – terwijl het vanuit andere hoeken juist weer tot kilometers in de verte te zien is, zelfs vanuit Albert. Opeens kwam het in beeld, en helaas, het stond in de steigers. Volgend jaar, 1 juli 2016, is de slag om de Somme precies 100 jaar geleden en daarvoor moet het piekfijn in order zijn. Ze waren dus aan een grootschalige restauratie bezig. Desondanks was het een imposant bouwwerk om op af te lopen, en gelukkig was het vanbinnen onder de hoge bogen vrij om rond te lopen en kon je de enorme stenen panelen met namen goed bekijken.

Overal vonden we kruisjes, klaprozen, kransen en fotootjes – op de muren geplakt, in de decoratie gestoken of op de grond gelegd. De “remembrance stone”, die bij iedere Commonwealth begraafplaats en herdenkingsplaats te vinden is, lag ook vol met kransen en kruisjes, en zelfs een boeket verse bloemen!

Achter het monument lag een relatief kleine begraafplaats met 300 Engelse en 300 Franse graven, en bovenop het monument wapperde de Franse en de Engelse vlag, aangezien dit monument de Franco-Britse samenwerking in de oorlog symboliseert. De graven in de begraafplaats waren voornamelijk van ongeïdentificeerde soldaten.

Nadat we nog een laatste keer rondgekeken hadden bij de ontelbare namen in het monument zijn we terug naar de auto gelopen en hebben de routeplanner ingesteld op het volgende in onze route, want we waren het nog lang niet zat!

Lonsdale Cemetery was oorspronkelijk een kleine begraafplaats met 96 graven van voornamelijk Engelsen, maar na de oorlog werd het een “verzamelbegraafplaats” waarbij andere kleine begraafplaatsen leeggehaald werden en de graven in grotere begraafplaatsen bijgezet werden. Tegenwoordig waren er dus 1.542 graven in deze begraafplaats; er was op zich niet veel bijzonders aan te zien alleen het werd in ons boekje met routes aangeraden als een mooie rustige plek buiten de gebaande paden in de buurt van het Thiepval Monument. En wel mooi was dat de begraafplaats midden tussen de velden lag, de bomen erg mooi waren in hun herfstkleuren en het gras vol met paddenstoelen stond!

Hierna reden we naar Lochnagar Crater, lokaal beter bekend als “La Grand Mine”. Deze krater is een van de weinigen waar foto’s van gemaakt werden op het moment dat hij explodeerde, en de grond vloog schijnbaar wel 1300 meter de lucht in! Het gat zelf is 100 meter doorsnede en 30 meter diep, en erg indrukwekkend om omheen te lopen… om 7:28 sochtends op 1 juli 1916 vlogen hier, na een half jaar voorbereiden en graven door tunnelgravers, 27 ton aan explosieven onder de Duitse linies de lucht in, en markeerde deze explosie het begin van de Slag om de Somme. Iets daarna gingen nog 16 andere (maar iets kleinere) mijnen in dit gebied de lucht in. Het geluid moet overweldigend geweest zijn! Nog altijd wordt ieder jaar op dat tijdstip een herdenkingsplechtigheid gehouden bij de krater.

Om de krater te beschermen voor het nageslacht is dit stuk grond in 1978 gekocht door een particulier, Richard Dunning, die het wilde beschermen als voorbeeld van de 1 juli-kraters – de meesten werden namelijk door boeren opgevuld en als boerenland gebruikt. De grond voor het houten kruis dat naast de krater opgericht was lag vol met klaprooskransen, en het was duidelijk dat het monument overspoeld werd met memento’s want overal vond je klaprozen, kransen, kruisjes en andere dingen. Sommige waren aan het hek van de krater geknoopt, anderen zelfs in de krater gegooid, of ze waren in de grond naast het pad geprikt, of op een hek ernaast gebonden. Er waren een paar kleine herdenkings- en bezinningshoekjes gemaakt met bankjes en bloemperkjes, en die lagen ook vol met memento’s.

We vonden het met name mooi om een krans te vinden van een nazaat van een tunnelgraver, en toen we bijna helemaal rondgelopen waren viel het ons op dat er kleine metalen herdenkingsplaatjes in de houten balken van het pad geschroefd waren. Eentje had een opschrift waarin gevraagd werd aan vriendelijke zielen om, in dit verre land, (het was ter nagedachtenis aan een Australische Engineer) een bloemetje op zijn graf te leggen. Er lag al een klaproos en twee veldbloemetjes bij, dus ik heb ook een veldbloemetje geplukt en erbij gestoken.

Buiten aan de rand van de krater was nog een paar vierkante meter vol gestoken met herdenkingskruisjes, en waren stellages gemaakt voor de vele kransen die de plek overspoelde. Indrukwekkend! Schijnbaar komen hier 75.000 bezoekers per jaar en is het daarmee een van de meest bezochte plekken die aan de Eerste Wereldoorlog herinneren.

We waren weliswaar inmiddels vlakbij Albert, maar hadden nog een beetje daglicht over en waren nog niet doodmoe, dus besloten we nog in ieder geval naar Fricourt German Military cemetery te rijden, en zien hoe het daarna eruit zag qua tijd en daglicht. Onderweg kwamen we regelmatig begraafplaatsen tegen, het zijn er zo enorm veel! Ook stopte we eventjes voor een foto van een van de vele monumenten in de dorpskernen die de Franse soldaten en de “dode kinderen” herdacht – ieder plaatsje had er wel eentje…

Fricourt German Military Cemetery is de grootste Duitse begraafplaats in de Somme, hier liggen 17.027 Duitse soldaten begraven. De stijl van de verschillende landen is heel verschillend, we kunnen vaak van een afstandje zien of een begraafplaats Commonwealth, Amerikaans, Frans, Belgisch of Duits is. Die van de Duitsers zijn vaak ingetogener dan de andere landen, en met een mooie sfeer. Deze was extra mooi door de prachtige gele en oranje herfstbladeren in de inmiddels ook goudkleurig wordende laaghangende zon. De kruizen in deze begraafplaats waren doffe stalen kruizen, best apart en indrukwekkend om daar rijen en rijen van te zien. Zoals heel vaak in Duitse begraafplaatsen waren er meerdere namen per kruis.

Toen wij daar aankwamen liep net een man die in een Duitse camper reed naar buiten, hij had er ook net rondgekeken, misschien op zoek naar een familielid. Het was typisch om te zien dat er ook hier klaprooskransen te vinden waren – zelfs op de kruizen van het middenpad. Dat is toch iets typisch van de Commonwealth, misschien een verbroederingsactie van iemand uit Engeland of een ander Commonwealth land? Of de klaproos is misschien inmiddels zo ingeburgerd dat het gewoon het universele symbol is geworden van de Eerste Wereldoorlog.

We vonden bij een van de graven een geplastificeerde foto en tekst; van een man die schreef dat hij zijn vader nooit gekend had, maar dat de man in dit graf dezelfde naam droeg als zijn vader. Hij wist dus niet eens zeker of het wel zijn eigen vader was! Achterin de begraafplaats was een herdenkingssteen en vier massagraven. De grote platen ervoor met daarop dicht op elkaar geschreven namen van de lichamen die ze hebben kunnen identificeren (5.493 van de 11.970 soldaten die in deze vier massagraven lagen, nog geeneens de helft) zien we wel vaker bij met name Duitse begraafplaatsen en zijn altijd weer indrukwekkend vinden we. In Rusland waren het ook oneindige rijen en rijen met namen in het Rossoshky Duitse begraafplaats buiten Volgograd.

Het was kwart voor vijf toen we klaar waren met de Duitse begraafplaats; we hadden misschien nog een kleine drie kwartier daglicht en het begon al wat frisser te worden, maar we hadden nog net voldoende tijd om nog een ding te doen voor we er vandaag mee stopte.

Dus reden we zo’n 10-15 minuten naar Caterpillar Valley Cemetery, waar we rond 17 uur aankwamen en nog 20 minuten uitgebreid rond hebben gekeken terwijl de zon ondertussen laag boven de horizon hing. We zouden echt het laatste restje daglicht van deze dag benutten! Caterpiller Valley was ook weer een indrukwekkend grote begraafplaats, met een oppervlakte van ongeveer 14695 m²! Er staan 5.568 graven waarvan 3.796 van ongeïdentificeerde lichamen. Ondanks dat men zijn best deed en doet om zo veel mogelijk informatie te verzamelen over de dode – soms is wel zijn regiment, of rang, of nationaliteit bekend aan de hand van stukjes kleding of andere identificerende tekens, en dat wordt dan vermeld op de grafsteen. Bijvoorbeeld, “een Britse soldaat van de Grote Oorlog”, of “een onderofficier van de Grote Oorlog”.

Langs een van de korte kanten van de grote rechthoekige begraafplaats, en bij de Stone of Remembrance, stond een lange herdenkingsmuur, de Caterpillar Valley (New Zealand) Memorial. Op deze herdenkingsmuur waren de namen gegraveerd van 1.205 militairen uit Nieuw Zeeland die geen bekend graf hadden. Dit soort dingen zijn altijd wel indrukwekkend want vol met kleine persoonlijke memento’s. Deze muur was volgeplakt met klaprozen!

We hebben nog een tijdje rondgelopen in de begraafplaats zelf, de grafstenen bekijkend. Bij een grafsteen van een Schot was de Schotse vlag geplant, en een klein bosje hei met een schotse ruit samengebonden. Ook weer een heel persoonlijk memento door iemand achtergelaten. Wij nemen eigenlijk bij iedere begraafplaats ook altijd even een kijkje in het gastenboek, en zijn altijd weer verbaasd hoe er altijd minstens een paar dagen geleden iemand iets in geschreven heeft, maakt niet uit welke tijd van het jaar je ergens bent!

We zijn in de schemer teruggereden naar Albert. We hebben de Aldi daar bezocht en gezocht naar een restaurantje maar hadden flinke pech; ons oorspronkelijke plan was om in het hotel te eten wat schijnbaar een goed restaurantje was, maar die was (altijd?) gesloten op zaterdag, en had alleen een hele beperkte snackkaart (van een muffin en een hotdog kun je niet echt een avondmaaltijd maken…). Dus we gingen op zoek naar iets anders. De ene die we op het oog hadden was gereserveerd voor een prive-feestje, een ander was dicht, een derde failliet, en een vierde zag er niet bepaald uitnodigend uit… Als we een magnetron hadden gehad op de kamer hadden we een feestmaaltje bij de Aldi gekocht, want dit was niets! We hadden zelfs 5 kilometer gereden naar het dichtstbijzijnde dorp maar daar was ook niets aantrekkelijks of zelfs maar open! Uiteindelijk zijn we uit ellende maar naar de Macdonalds gegaan vlakbij het hotel want we hadden geen zin meer om te zoeken… Na een niet bevredigende avondmaaltijd zijn we naar onze hotelkamer gegaan waar we een heerlijk kopje koffie en een roze koek als troost genomen hebben, als einde van een geslaagde dag!

Zondag 1 november: Somme Regio - thuis, 421 km

We hebben gisteravond lekker gedoucht en vannacht lekker geslapen in onze praktische en nette hotelkamer; echt een van de best uitgedachte hotelkamers die we ooit bezocht hebben! Ons hotel lag schuin naast een kleine begraafplaats, dus we vonden dat we Albert niet konden verlaten zonder er even een kijkje te nemen.

Het heette Bapaume Post Military Cemetery en had 410 graven; het werd ergens in juli 1916 opgericht en is tussen maart 1918 en augustus 1918 ook tijdelijk in Duitse handen geweest toen het stadje Albert veroverd werd. Er lagen Engelsen, Canadezen en Australiërs en we hebben er even rondgewandeld en de graven bekeken.

Gisteren waren we een paar keer langs een bordje voor een Australisch monument gereden en besloten er vandaag even naar toe te rijden aangezien het maar een paar kilometer van Albert vandaan was, bij Pozières. Het was een algemene herdenkings-obelisk van de First Australian Division, die op allerlei plekken gevochten hadden in de Eerste Wereldoorlog en natuurlijk net als velen ontelbare verliezen geleden hadden. Maar de Australiërs hadden unaniem gekozen voor Pozières als locatie voor het algemene monument, omdat hun ervaring hier in juli 1916 zo’n diepe indruk gemaakt had op ze.

Bij het monument was een kleine bomenpartij op een heuveltje; een ingestorte bunker die later begroeid was geraakt. Het heette de “Gibraltar Bunker” en was een Duitse bunker die door de Australiers veroverd werd. Op deze website is meer informatie te vinden over deze bunker: "The Gibraltar Blockhouse"

Onderweg naar het eerste punt dat op ons oorspronkelijke programma stond reden we in een klein dorpje langs een klein en persoonlijk monument voor “negen dappere mannen”.

En iets later kwamen we langs het monument voor de 17e en 23e bataljons, de “voetballers’ bataljons”. Er stond onderaan een uitspraak van een van de leden van deze bataljons die in zware gevechten in juli 1916 gewond was geraakt, in typisch Engelse onderkoelde stijl “This is worse than a whole season of cup ties”…

We waren er gisteren vlakbij geweest maar hadden toen niet genoeg licht meer om er naar toe te gaan, maar vanochtend konden we uitgebreid de tijd nemen voor het Zuid Afrikaanse herdenkingspark. Het bestond uit twee delen: Delville Wood Cemetery, een grote begraafplaats, en een herdenkingsbos, Deville Wood (Bois Deville) met het South African National Monument. We waren er iets voor 10 uur, hebben de auto geparkeerd in de grote parkeerplaats van het bezoekerscentrum en begonnen als eerste met de begraafplaats want het museum in het bos was pas om 10 uur open.

We moesten een paar meter via de weg naar de begraafplaats lopen en vonden onderweg een kogel die iemand anders waarschijnlijk gevonden had en verloren was. Roestig, oud, en nog altijd op scherp! We hebben even getwijfeld om hem mee te nemen, maar vonden het toch een beetje eng en lieten hem op de stoep liggen; je wil niet een ongeluk hebben uiteindelijk!

Delville Wood Cemetery was een van de grootste begraafplaatsen waar Zuid-Afrikanen begraven liggen, met 5523 graven waarvan maar 1930 geïdentificeerd zijn (ook andere nationaliteiten liggen hier begraven). De rijen en rijen en rijen graven zijn altijd indrukwekkend, maar de opschriften op de graven en de kleine persoonlijke memento’s zoals foto’s, vlaggetjes, kruizen en klaprozen die erbij liggen minstens zoveel wat ons betreft.

Toen we op de begraafplaats uitgekeken waren staken we de weg over en wandelden we door de prachtige grote brede bomenlaan in het bos naar het South African National Monument met daarachter het museum.

Het monument was grootst opgezet en lag prachtig midden in het bos, en op de herdenkingssteen in het midden was zowel in het Engels als in het Zuid-Afrikaans een herdenkingstekst geschreven. Er lag een redelijk verse rode anjer op de steen – misschien een dag oud, maar zeker niet meer. Dat valt ons eigenlijk ook altijd op, dat er vaak wel verse bloemen te vinden zijn bij dergelijke monumenten.

Het museum achter het monument was gebouwd als een klein fort, maar was helaas ook net zo potdicht als een fort; het was Allerheiligen en dus een feestdag – daar hadden we niet bij stilgestaan, jammer!

Dus zijn we er omheen gewandeld en het bos in; het bos was net als bij het Newfoundland Monument en Sheffield Memorial Park een herinneringspark opgericht ter plekke van een zwaar slagveld waar zo velen gesneuveld zijn en zo veel niet meer teruggevonden, dat heel het gebied in feite als een grote begraafplaats gezien moet worden en met zodanig respect behandeld moet worden. Het was ook een erg mooie plek, zeker met de herfstkleuren en de lage ochtendzon!

Er waren lange lanen in het bos gemaakt, en vlak achter het fort-museum stond “Die Laatste Boom” – de enige boom die de slag in 1916 overleefd had, een haagbeuk en inmiddels na 100 jaar een indrukwekkende grote, mooie boom. Uiteraard was ook deze boom en het hek erom heen bedekt met vlaggetjes, kruisjes en klaprozen!

We liepen een van de lanen in maar zakte diep in de zompige grond weg dus besloten onze voeten niet natter dan nodig te maken en liepen terug naar de auto via het fort en het monument. Een erg indrukwekkende plek, het bos was echt prachtig!

Onderweg naar de auto hebben we voor het archief nog even een foto gemaakt van de kogel – of hij inderdaad ook echt 100 jaar oud is durven we niet met zekerheid te zeggen maar stoer is het wel om het te denken!

We reden langs een monument midden in het veld en onverwachts langs een Duitse begraafplaats, Rancourt – daar hebben we even een korte stop gehouden om te kijken. Ook deze Duitse begraafplaats was erg groot, met 11.422 soldaten. Hier waren de grafzerken de typische stenen kruizen die we ook in andere Duitse begraafplaatsen gezien hebben, en uiteraard weer erg mooi met het oranje-geel herfstblad overal!

Ook reden we langs een Australisch monument in een dorpje, waar ik even uit de auto gesprongen ben om een foto te maken terwijl Hans bleef zitten.

Na een klein half uurtje rijden kwamen we bij het Somme American Cemetery & Memorial aan. Een beetje uit de route maar we hadden nog niets van de Amerikanen gezien dus het hoorde wel een beetje bij onze toer van het Somme gebied. Hier leken ook Amerikaanse bomen geplant te zijn, en de hagelwitte kruizen en davidssterren waren indrukwekkend in het groene gras.

We hebben er een tijdje rondgekeken en vonden een van de drie “Medal of Honour” ontvangers die hier begraven lagen, William Bradford Turner. De tekst op zijn grafsteen was goudkleurig en er stond een gouden ster in gegraveerd. We hebben nog een beetje gezocht naar de andere twee maar konden ze niet zo gauw vinden, het was dan ook een redelijk grote begraafplaats met 1.844 graven die keurig opgelijnd stonden. De begraafplaats was opgericht tijdens de oorlog als tijdelijke begraafplaats en is na de oorlog gebruikt als laatste rustplaats voor die Amerikaanse militairen waarbij besloten werd ze te laten rusten in het land waar ze gevallen waren en niet te repatriëren naar Amerika.

Toen we klaar waren met rondkijken hebben we lekker een kopje koffie gezet en een stroopwafel genomen in het rustige parkeerterreintje, en zijn toen om de begraafplaats gereden terwijl we nog even naar de grote toren onderaan gekeken hebben (achteraf bleek dat daar een kapel in zat, stom, hij leek niet toegankelijk toen we er waren!).

Daarna zijn we op zoek gegaan naar het Bellicourt American Monument dat hier in de buurt moest zijn. Deze was onverwacht gemakkelijk te vinden, gewoon langs de doorgaande weg – ik had van internet de indruk gekregen dat het misschien een beetje lastig zou kunnen zijn. Het Bellicourt American Monument was gemaakt met uitzicht op de Amerikaanse frontlinie en gaf achterop een overzicht van de Amerikaanse posities tijdens de Slag om de Somme.

We vonden na een eindje rijden het Villiers-Bretonneux Military Cemetery gemakkelijk en hebben deze mooie begraafplaats uitgebreid bekeken. Er zijn 2142 graven hier, waarvan er 609 ongeïdentificeerd zijn, en de begraafplaats is bijzonder om te bezoeken vanwege de hoge toren met herdenkingswand, en de ligging in het landschap.

We hebben bij de graven gezocht naar persoonlijke memento’s, en vonden er veel. Ook bij de herdenkingsmuur waren veel vlaggetjes, klaprozen en andere herdenkingstekens te vinden.

De toren was toegankelijk en we zijn naar boven geklommen om op het balkon helemaal bovenaan een prachtig uitzicht te hebben op de begraafplaats, het glooiende landschap en het park achter de toren en herdenkingswand.

Op een plaquette onderin de toren stond dat de toren in de Tweede Wereldoorlog zwaar beschadigd is geraakt en in 1951 weer gerestaureerd was – alleen de kogelgaten in de buitenkant hebben ze laten zitten voor de historische waarde ervan. We zijn nog even langs de rest van de lange en indrukwekkende namenlijsten op de herdenkingswand gewandeld voor we terug naar de auto gingen waar we nog even geluncht hebben voor we richting het laatste punt op ons programma reden.

Het laatste punt op het programma was het Australian corps Memorial Le Hamel – ik had er van tevoren niet echt een voorstelling van kunnen maken maar ik wist wel dat het een belangrijk monument was en vlak bij het indrukwekkende Villiers-Bretonneux begraafplaats dus het hoorde bij de route. Het bleek een monument midden in de velden te zijn, met een mooi pad er naartoe.

Er stonden informatieborden over de geschiedenis van deze plek, en misschien wel het bijzonderste was dat de “Rode Baron”, Manfred von Richthofen, hier uit de lucht geschoten was. Hij werd in het hart getroffen maar wist desondanks zijn vliegtuig redelijk heel op de grond te krijgen voor hij stierf, en na zijn dood werd zijn vliegtuig door soldaten op zoek naar souvenirs van de “Rode Baron” bijna helemaal uit elkaar gehaald! Manfred von Richthofen werd oorspronkelijk met alle eer van zijn vijanden in Bertangles begraven, om na de oprichting van Fricourt Duitse begraafplaats daarnaartoe gebracht te worden, waar hij tot 1925 gelegen heeft. Hij heeft een tijdlang begraven gelegen in de Invalidenfriedhof Cemetery in Berlijn voor hij eindelijk in 1975 overgebracht is naar zijn familiegraf.

We raakte bij dit monument aan de praat met een ouder Australisch echtpaar die tijdens hun maand rondreizen in Europa min of meer spontaan besloten hadden om een paar daagjes Somme-gebied te gaan doen en belangrijke plekken te bezoeken van de Eerste Wereldoorlog. Zijn vader had gevochten en de oorlog overleefd en ze wilden dus, naast wat belangrijke plekken voor zijn vader, een beetje de geschiedenis van dit gebied in zich opnemen. Probleem alleen was dat ze slecht (eigenlijk niet) voorbereid waren en helemaal verzandde in de adressen hier in Frankrijk; dat had ik thuis al gemerkt, dat voor ieder dorpje wel 5 anderen bestonden met dezelfde naam, en dat postcodes, google, en regelmatig gewoon gps-coördinaten, heel belangrijk waren om de juiste te pakken te krijgen!

Aangezien zij net vandaag begonnen waren aan hun WW1 uitstapje, en wij net klaar, bood Hans heel vriendelijk aan om ze de papieren kopie van ons routeboek te geven – daar waren ze heel dankbaar om, zeker omdat we voor alles een korte (Engelse) omschrijving van internet hadden opgezocht, omdat we ze konden vertellen wat de moeite was en wat ze misschien in tijdsnood konden overslaan, omdat we veel dingen bezocht hadden waar ze niet eens aan zouden denken, en natuurlijk omdat we alle adressen uitgeschreven hadden zodat de gps ze kon vinden en in de meeste gevallen ook coördinaten erbij gezet hadden!

Het was inmiddels 15 uur, dus wij zijn met een goed gevoel terug naar huis gereden terwijl zij enthousiast ons routeboek gingen bekijken. We konden nu vlot doorrijden zonder files of vertragingen, en hebben onderweg lekker een frietje gehaald om ons weekendje Frankrijk af te sluiten!

free counters