16/3: Wallacia - Heathcote, 218km

We zijn gisteren doodmoe in bed gerold, ik was savonds zelfs te moe om nog te kunnen lezen, terwijl het boek niet om neer te leggen is zo goed. Het was een beetje een onrustige nacht, Hans was vooral veel aan het woelen, maar op zich was ik in ieder geval redelijk uitgerust wakker geworden. We hadden gisteren besloten om eerst richting Lake Burragorang, het grootste stuwmeer bij Sydney te rijden, tegen de Blue Mountains aan en verantwoordelijk voor vele miljoenen liters drinkwater voor de stad, en daarna naar het oosten richting Bulli bij de kust te rijden waar er een volgens ons mooie kustweg moest zijn. Als het goed was zou er dan daar vlakbij een camping moeten zijn in het plaatsje Burdeena, aan de andere kant van de rivier bij Sydney…


De weg naar het meer was zonder meer de moeite waard maar zoals wij al eens eerder gezegd hebben tegen elkaar, wij vinden Australie niet echt een land waar je per se nog een keertje terug wilt komen. Het is waanzinnig om er doorheen te rijden en dat was voor mij echt een geweldige ervaring, maar het punt is dat los van het westen en het droge midden er erg weinig ‘anders’ is aan Australie. Waar we doorheen rijden kan overal in Europa zijn, het zijn alleen de eucalyptusbomen, dode kangaroes en de vele papagaaien die het exotisch maken. En het is zo ver weg, voor die vogels alleen kan je moeilijk terugkomen. Niettemin een geweldige vakantie hoor, echt waar! Ik heb genoten van (bijna ;) ) ieder moment. Maar we hoeven er beiden niet zo nodig nog een keertje naar toe. Hoogstens om de delen te zien die we nu niet hebben gezien zoals de Northern Territory.


Lake Burragorang zelf was prachtig. Een enorm stuwmeer vulde het tot in de verre verte de prachtige valleien van dit deel van de Blue Mountains. Het uitzichtspunt hierover bij Nattai was echt prachtig, ik vind stuwmeren sowieso altijd wel imposant. De dam was niet te zien maar het was ook zo’n enorm meer met zulke grillige vormen vanwege de valleien waar het in lag dat dat niet echt verwonderlijk was. Blijkbaar is de regio ook enorm belangrijk geweest en nog steeds voor kolen, want we reden langs verschillende wegen die naar kolenmijnen leidde en bij Nattai was een monument voor de kompels.


Onderweg naar de kust was een mooie rit, door de bergen en over de dam van een ander stuwmeertje, maar het mooiste was bij de kust zelf. Er vlak voor zijn we door Bulli Pass gereden, en dat is echt prachtig mooi! Bulli Lookout er vlakbij kijkt uit vanuit een hele hoge klifwand naar de kust waar er allerlei kleine inhammetjes zijn en rotsen langs de stranden. Het was een beetje ingewikkeld wat betreft wegen en verkeersknopen – daar zijn de Australiers dol op, op ingewikkelde knooppunten terwijl dat nergens goed voor is en supereenvoudige waar er iets meer vereist zou zijn – maar we volgende steeds Bulli en kwamen goed uit. De afdaling naar de kust was een steile bochtige weg van zo’n 3 km lang en ik wou soms dat Hans niet zo’n zekere coureur was. Voor hem was dit een koud kunstje, dat was duidelijk. Want om met 70 km/uur af te dalen op een steile bochtige bergweg terwijl er ook tegenliggend verkeer vereist stalen zenuwen…pfffff ik was blij dat het zo over was!


We zijn richting het noorden rijdend door allerlei piepkleine dorpjes gereden die op de meest uniek mooie locaties langs de kust lagen, en we reden ook een kilometer of wat over een weg geplakt tegen de kliffen. Erg mooi allemaal! Het plekje waar de camping zou moeten zijn volgens de kaart lag in Royal National Park, wat ook een prachtige rit was door heuvels en grote keien, maar zoals we beide eigenlijk al stiekem wisten, we konden hem niet vinden. We reden heel Burdeena door maar vonden niets. Burdeena lag trouwens heel mooi met strandjes en heuvels aan de rivier met op de horizon de skyline van Sydney, waarschijnlijk een heel populair dorpje voor forenzen. Uiteindelijk ben ik bij het tankstation gaan vragen en bleek de ‘camping’ een veldje waar je mocht staan, verder niets. Maar een klant wist me gelukkig te leiden naar een camping dicht bij Heathcote, amper zo’n 25 km zuid van Sydney…


Dat bleek bij navraag in het kantoortje van de camping, toen we hem eindelijk vonden (slecht aangegeven, wat hebben die Australiers toch met richtingsborden), zo’n beetje de enige te zijn deze kant van Sydney. En 33 dollar duur? Neuh, er was er ook eentje van 49 dollar hoor…Dit is Sydney, daar is alles te duur. En dus zijn er geen campings want die zijn niet te onderhouden zo duur als de grond/huur is. Hans moest wat geld halen aan de overkant van de snelweg (klink heel stoer en ik was ook blij toen hij heelhuids terugkwam :) ) waardoor ik even gebabbeld heb met de eigenaar, en te horen kreeg waarom er geen campings zijn. Hans besloot zelf om maar meteen de twee nachten die we nog hebben te betalen, ik geloof dat hij het zoeken ook zat is. En op zich ligt deze camping perfect voor ons! Tussen de snelweg en het spoor geklemd, perfect ja. Want het spoor brengt ons binnen 45 minuten naar hartje Sydney en deze snelweg gaat regelrecht naar waar we de camper moeten inleveren en daar vlakbij het vliegveld. Dat moet lukken…


Hans heeft me omgekocht met een zak chips en een blikje van de meest overheerlijke zalm in honing/mosterd/dille saus van de ALDI ;) dus morgen gaan we even per trein de stad in, om rond te snuffelen. En verder wordt het een beetje opruimen en schoonmaken en dan zaterdag ochtend de stad inrijden en de boel afleveren. We zijn bijna door onze voorraden heen, uiteraard zorgvuldig zo uitgekiend om te voorkomen dat we al te veel weg moeten gooien, en we zijn ook bijna door ons cash geld heen, zodat we niets meer hoeven om te wisselen straks. Hans ligt ondertussen lekker een dutje te doen en de regen druppelt gezellig op het dak. De achterruit is heel erg slecht afgekit en lekt een beetje, af en toe zie ik een druppel naar beneden glijden, maar ach, echt last hebben we er niet van. We gaan deze oude rammelbak nog missen straks! Hihihi nee ik denk het niet :)

Liefs,

Jooske

free counters