Januari 2018: Wereldreis per cruiseschip

HOME
ROUTE
LANDEN
MV COLUMBUS
2021 SLOOP
AAN BOORD
WERELD

We zijn vanochtend vroeg opgestaan, nog vóór de wekker die we op 7:30 gezet hadden, omdat de kapitein via de intercom rond 7 uur omriep dat er helaas, door de weersomstandigheden zoals harde wind en hoge golven, geen mogelijkheid was om de haven van St. George in te varen, en we dus voor de kust voor anker gingen en met een “tender”, in dit geval onze eigen dichte reddingsboten, heen en weer naar de kust geshuttled zouden worden. Hij zei ook nog dat het P&O cruiseschip dat we voor de kust konden zien liggen waarschijnlijk wel in staat was om op eigen gelegenheid de haven in te varen omdat hij waarschijnlijk sterkere thrusters had. Maar dat schip besloot uiteindelijk, na inderdaad eventjes op de haven af te varen, vlak voor de kust om te draaien en verder te varen. Wij gingen dan tenminste nog aan land! Later hoorde we dat de lokale mensen die gezien hadden dat de P&O doorvoer erg teleurgesteld waren – de cruiseschepen zijn tenslotte een belangrijke bron van inkomen voor ze!


Hans en ik zijn gelijk om 7:30 naar het restaurant gegaan om te ontbijten, en toen was het wachten in onze hut tot onze excursie omgeroepen werd – de ochtendexcursies kregen voorrang, gelukkig. Er was een excursie vóór die van ons, en toen de oproep daarvoor geweest was werd er omgeroepen dat er 200 mensen aangemeld waren voor de “Discover Grenada” excursie erna, en of men aub nog even geduld wilde hebben, ze wilde eerst die excursie aan land hebben dan konden ze verder gaan met individuele passagiers! Hoppa, 200 man, wij doen die excursie ook, dat gaat een ellende worden zeg, pfffff! Maar goed, rond 8:20 werd omgeroepen dat wij naar beneden mochten, en we waren al helemaal klaar bepakt en bezakt, dus sprongen op om naar beneden te gaan. We strandde in het trappengat op dek 5; we moesten naar dek 3, het bemanning-dek vanwaaruit de tenders gingen, en de toegang naar dek 4 en dek 3 was geblokkeerd door een bemanningslid want anders liep het in het kleine hokje voor de tender muurvast. Het stond al helemaal vol met mensen in het trappengat, en de rest werd gesluisd richting de open ruimte bij de receptie, wij konden gelukkig, dankzij de “ikke ben dom en onschuldig” houding van Hans, nog in de buurt van het trappengat blijven staan.

10 minuten later kwam er beweging in en konden we naar beneden en de reddingsboot in die klaar stond voor ons nadat ons kaartje gescanned was dat we van boord waren. Hans en ik zijn gewend van de MS Expedition, de MS Ushuaia, de MV Tucano, ons bootje in de Galapagos, en de bemanning aan boord van beide vrachtschependat je elkaar geen hand geeft bij het overstappen, maar een arm – mijn hand pakt de arm van het bemanningslid vast, en hij doet hetzelfde bij mij – de zeemansgreep heet dat zelfs volgens mij. Dat is een greep voor extra veiligheid en houvast, omdat elkaar alleen een hand geven niet sterk genoeg is als je van het ene (vaak bewegende!) punt naar het andere moet overstappen. Maar de zeeman die Hans vastpakte om hem de reddingsboot in te helpen pakte alleen zijn hand, en alleen ook omdat Hans zijn hand uitstak; apart. En mijn arm/hand werd al helemaal niet eens vastgepakt!

Toen het bloedhete reddingsbootje na zo’n 10 minuten vol was, vertrokken we richting de kust (geen idee hoeveel mensen er nu in zaten, misschien zo’n 80? Maar in noodgevallen is er “plek” voor 129 man, ongelofelijk). Er lag een oud wrak voor de kust, mooi verroest. Toen we bij de kade aankwamen zat het bemanningslid in wit uniform (officier, hotelstaff, zoiets?), dat de achterkant van de reddingsboot stevig moest vastleggen zodat hij niet meer kon bewegen als wij uitstapte, te worstelen met het te dikke touw en de te kleine kikker – en hij leek ook niet goed te weten hoe je de mastworp moest leggen, de basisknoop voor zoiets. Hij wikkelde het touw er steeds omheen om dan pas de knoop te leggen, waardoor de knoop steeds losslipte en de boot weer ging schommelen in de bewegende golven. Erachter stond een zeeman (grijs uniform) rustig toe te kijken terwijl wit uniform worstelde en hij ondertussen zijn sigaretje oprookte. Heel apart, en een gebrek aan training misschien? Eindelijk lukte het min of meer en lag het reddingsbootje stil genoeg om te beginnen met de passagiers uit te laten stappen. Ook weer bij het ons aan land helpen was er niemand behalve een zeeman bij mij die de zeemansgreep gebruikte – of liever, ik gebruikte hem bij hem, dus hij kon waarschijnlijk niet anders!

We waren rond 9 uur aan land, in ieder geval, een kwartiertje later dan de bedoeling was voor onze excursie. Gelukkig bleek, toen we om het cruiseterminalgebouw heenliepen, dat de excursiebusjes netjes klaarstonden en gelijk gingen rijden als ze vol waren – daarmee zou het massale van 200 man misschien een beetje beperkt worden, hopelijk?

Ons busje was rond 9:10 vol met zo’n 20 passagiers en onze vrolijke chauffeur begon te rijden. Hij had een microfoon om waarmee hij handsfree commentaar kon geven en vertelde constant enthousiast over waar we langsreden, om te beginnen het tunneltje vlakbij de terminal waarmee je schijnbaar in de baai erachter kon komen dat de natuurlijke haven vormde. We moesten in St. George een paar steile weggetjes nemen, dat noemde hij “San Franscisco momentjes”, en hij reed al vertellend langs een grote begraafplaats met witte graven (Hans en ik hadden een begraafplaats in het routeboek opgenomen voor Grenada, en dat was vermoedelijk deze!) – het check-in-no-check-out hotel volgens hem. Hij zei dat men in Grenada de overledenen graag een mooi uitzicht gunde, en dat hadden ze ook wel inderdaad, op een steile helling geplakt!

Weer wat later reed hij langs “het beste hotel van Grenada” – iedere dag op tijd je maaltijden, een mooi uitzicht, je eigen kamer – hij had het over de gevangenis! Wat hem betreft was het plaatsen van een gevangenis op zo’n mooi uitzichtspunt straf genoeg voor de meesten; je wordt opgesloten en kan het mooie eiland alleen nog maar bekijken, niet meer erin leven. Hij zei ook dat er eigenlijk heel weinig echte criminaliteit was op het eiland en dat de meeste mensen elkaar wel kende. Na nog een paar scherpe bochten, eentje zelfs met een rechtopstaande kanons-loop als markeerpaal, nam hij de helling op richting Fort Frederick.

Hij wees onderweg een paar “traveller’s palms” aan, mooie statige waaiervormige palmbomen waar volgens hem tussen de uitwaaierende bladeren regenwater verzamelde, mocht je dorst hebben, en die altijd als een kompas oost-west groeide. Hmm, euh tja dan waren deze twee het er niet over eens wat oost en west waren, want de ene stond bijna haaks op de andere!

Bij het fort aangekomen (dat ook als bezoekmogelijkheid in het routeboek stond maar ik aangemerkt had als een beetje ver lopen, zeker nu we zagen hoe steil de wegen waren!) moesten we even wachten op de lokale gids “Alice in Wonderland” zoals ze zichzelf noemde. Ze leek er niet op en haar verhaal had ook niets wonderlijks eraan, maar het fort was dan ook eigenlijk niet zo spannend; je kon er alleen een beetje bovenop rondlopen, zelf was het in te slechte staat om erin te kunnen gaan, en het was eigenlijk alleen nog relevant voor het mooie uitzicht over de baai voor ons en het regenwoud achter ons.

Het fort is oorspronkelijk door de Fransen gebouwd nadat ze in 1779 het eiland van de Britten hadden veroverd, en het is een uniek fort in dat het landinwaarts is gericht, omdat de Fransen bang waren dat de Britten dezelfde truc zouden toepassen als zij met de Britten gedaan hadden, en een verrassingsaanval vanuit het binnenland zouden plegen. Het heeft nooit een schot gelost en de Fransen hebben het niet eens kunnen afbouwen want 4 jaar later is Grenada teruggegeven aan de Engelsen via het Verdrag van Versailles. Vanuit Fort Frederick konden we onder ons ook het kleinere ronde Fort George zien liggen, iets wat ik ook in het routeboek had staan als mogelijkheid om straks zelf te doen – maar wat we er van konden zien besloten we dat het niet de moeite waard was om zulke steile weggetjes ervoor te lopen, zelfs al was het niet zo ver van de cruiseterminal vandaan!

We hebben een tijdje op het fort rondgekeken terwijl Alice in Wonderland haar tijd uitzat, en zo weinig over het fort zelf kon vertellen dat ze maar begon over wat ieder dak in het stadje voor gebouw was. Wat uiteindelijk het leukste aan het fort was dat de bovenkanten van de muren van het fort volgegroeid waren met tropische planten – en het uitzicht, dat was ook erg mooi.

Toen reden we het stadje uit en het regenwoud in naar de volgende stop op de route, de Annandale Falls, een van de vele watervallen op het eiland. Ondertussen vertelde onze gids/chauffeur ronduit over de geschiedenis van het eiland, de specerijen die er groeien, de planten, eigenlijk groeit alles wel wat je er plant! We konden dat al zien, het regenwoud was een groene plantenexplosie van plant op plant op plant, alles kroop, klom en groeide over elkaar heen. En overal stonden de mooiste bloemen, bloeiende planten die je thuis alleen als kleine dure huisplanten kunt kopen groeide hier uitbundig in het wild. Erg mooi!

Rond 10:15 waren we bij Annandale Falls, waar de chauffeur ons waarschuwde dat er mooie kleurrijke dames met fruit en specerijen op hun hoofd stonden die geld zouden vragen als je er een foto van wilde maken. Ook waren er verkopers met kettingen van specerijen, die je in je keuken kon ophangen voor een lekkere kruidige geur – en mochten ze hun geur verliezen, dan kon je ze even 10 minuten in warm water leggen en gingen ze weer heerlijk ruiken. Hij raadde ons aan om hier nog even geen specerijen te kopen, die zouden we straks op de specerijenplantage goedkoper kunnen kopen, maar als we het dan toch deden, héle nootmuskaat te kopen en geen gemalen nootmuskaat – dat was beter en die was wel 10 jaar houdbaar en gemalen maar 5 jaar. Het eiland wordt ook wel het Spice Island genoemd, het Specerijeneiland, en dat komt door de nootmuskaat die er uitbundig groeit en nog vele andere soorten specerijen. Ze waren op het moment aan het experimenteren met een nootmuskaatboomras die in 3 jaar volwassen werd in plaats van in de gebruikelijke 6 jaar, en daardoor natuurlijk veel sneller oogst begon op te leveren.

Hans en ik liepen achter de kudde aan richting de waterval, tot hij een bordje naar rechts zag; exploration trail, 5 min. We hadden 10 minuten om de waterval te bekijken, dan konden we wel even dat afsteggertje van 5 minuten nemen! Het was een hele mooie kleine wandeling over kleine modderpaadjes en een vervallen bruggetje tussen allerlei exotische tropische planten op de helling. Een tropische versie van het Siberische botanische parkjedat we bij het Baikalmeer bezocht hadden!

Terug bij het hoofdpad zijn we nog even gauw naar de waterval gelopen, waar nu bijna niemand meer was – deze lag erg mooi in een bocht van de rivier, omringd door groen regenwoud. Er stond een jongen geld in te zamelen, die schijnbaar een waterval-springer was, als hij geld kreeg dook hij van de waterval af. Brrrrrr!

We liepen terug naar de bus toen de lezingenfotograaf bezig was op een moeilijke manier (waarschijnlijk voor zijn abstracte foto’s, die hij graag maakte) dezelfde grote roze kelken aan het fotograferen was die ik op de heenweg uit de losse pols gekiekt had. Hij had een vrucht in zijn handen en wilde weten of wij die herkende; ik herkende het gelijk, het was de vrucht van een nootmuskaat met daarin de bruine noot omringd door het kantachtige rode foelie, leuk! Dat is lang geleden dat ik er eentje in het echt gezien heb! Ik wilde hem even vasthouden voor een foto maar dat wilde de fotograaf niet, hij hield hem zelf vast. Maakt niet uit!

Terug bij het busje waren er nog een paar mensen kwijt dus wij keken nog een beetje om ons heen; in de verte leek een woudreus een kapokboom te zijn, alleen de peulen waren nog niet opengesprongen. Later bevestigde de chauffeur dat er inderdaad veel “boomkatoen” groeide op het eiland.

We reden door kleine gemeenschappen met wat ruïnes ertussen – die waren van de grote orkaan die hier ergens rond 2004 gewoed had, en sommige mensen waren verhuisd, anderen hadden het huis verlaten omdat ze het herstel niet konden betalen, en in bijna alle gevallen was het regenwoud al druk bezig ze over te nemen en ze dicht te groeien!

Het eiland is van oorsprong vulkanisch, je zag in sommige bochten van de weg duidelijk de as-lagen zitten van oude uitbarstingen, maar er is (op land) geen actieve vulkaan meer dacht ik. De vulkanische as is erg vruchtbare grond, in combinatie met het tropische klimaat maakt dat dat er echt bijna alles kan groeien. De chauffeur stopte dan ook regelmatig om bomen aan te wijzen, en hoefde soms alleen maar zijn hand uit het raam te steken om een vrucht, blad of peul te plukken voor ons om te bekijken of aan te ruiken. Hij vertelde dat de BLOEMEN van bouganvillea altijd wittig waren, maar de BLADEREN de kleur gaven – de uitbundige kleuren van de grote struiken bouganvillea kwamen van nepbloembladeren die insecten lokte naar het bescheiden kleine witte bloempje, maar die eigenlijk gewoon gekleurde bladeren waren. Apart!

Hij wees een familielid van de guanabana aan; de guanabana is een grote heerlijke tropische vrucht van gemakkelijk een halve meter lang (in ieder geval, diegene in Colombia!) die alleen rijp geplukt kan worden en erg kwetsbaar is dus niet ver vervoerd kan worden maar lokaal verwerkt moet worden. Wij hadden ze vroeger in Colombia in de supermarkt en maakte er ijs, sap en gebak van, en ik heb Hans ze in Ecuador als vers sap laten proeven.

Bananen groeide volgens de chauffeur in Grenada in overvloed, ontelbare soorten – mango’s waren er wel 60-100 soorten van op het eiland, afhankelijk van wie je het vroeg! Kokosnoten en allerlei andere palmvruchten groeide er, en specerijen natuurlijk, er groeien hier schijnbaar meer specerijen per vierkante meter dan waar dan ook ter wereld. Met name nootmuskaatbomen groeien hier overal, maar ook gemberwortel (bovengronds mooie grote planten met grote bladeren en rode of roze kelken), kaneelbomen waarbij alles naar kaneel ruikt, ook de bladeren, “allspice” (een specerij dat ruikt alsof het een mengsel is, maar in werkelijkheid de gemalen besjes van een struik zijn), kruidnagelbloemetjes, en cacaobomen met hun gele, oranje, rode en bruine peulen die aan de stam hangen. We zagen het ook allemaal in het voorbijrijden, het groeit er gewoon in het wild of langs de weg of in kleine particuliere veldjes die er zo wild uit zien dat het net zo goed in het wild kan zijn.

Nootmuskaat pluk je niet volgens de chauffeur, maar raap je; pas als de vrucht op de grond valt is hij goed. En het is NOT DONE om andermans nootmuskaat te rapen! Hij wees onderweg nootmuskaatboompjes aan die uitpuilde van de vruchten, vaak zag je het rode foelie door de geopende vrucht uitpiepen. De noot werd gebruikt, het foelie, maar van de vrucht zelf werd ook jam en gelei gemaakt, niets ging verloren volgens de chauffeur! Hij noemde allerlei lekkere, bijzondere en aparte tropische vruchten die op Grenada konden groeien, maar er werden ook “gewoon” groentes gekweekt, en suikerriet natuurlijk! Daar werd rum van gemaakt, en die was op Grenada van zo’n goede kwaliteit, dat hij oorspronkelijk 75% was, waardoor toeristen hem niet konden vervoeren per vliegtuig omdat hij te sterk was! Dus ontwikkelde de rumbrouwerijen recent een speciale vliegtuigproof-versie van de Grenadase rum, die 69% was, de bovengrens voor export is namelijk 70%. Lachen!


Een van de favoriete vruchten van het eiland was de broodvrucht, die ze op Grenada als aardappel schillen, koken en frituren, en schijnbaar ook ongeveer smaakt zoals aardappel. Die kwam dan ook veel voor in de lokale keuken, net als vis dat hier natuurlijk ook in overvloed te krijgen is. Zoals de chauffeur zei, er was dan misschien wel een redelijk hoge werkeloosheid van zo’n 13% omdat er gewoon niet zo veel betalende banen waren op het eiland, maar men leed daardoor in principe niet per se ook honger, want je kon echt alles kweken wat je wilde. En in sommige gevallen gewoon plukken in het wild! Hoewel je daar wel voorzichtig mee moest zijn; het miezerde af en toe een beetje en de chauffeur wees een mooie woudreus aan onderweg die perfect leek om voor regen te schuilen... Maar als je daaronder stond als het regende spoelde er schijnbaar een stofje van de bladeren af dat je huid verbrandde als het erop terecht kwam! Wow...


We reden een eindje langs de kust en daar stonden weer allerlei andere bomen die we niet in het prachtige regenwoud onderweg gezien hadden – het bleken onder andere amandelbomen te zijn. Ook cashews konden hier groeien, avocado’s, noem het maar op of de chauffeur bevestigde dat ze het wel ergens hadden! Hier groeit echt alles! De huizen stonden vaak op (soms hoge) betonnen palen – dat was schijnbaar vanwege eventuele modderstromen bij slecht weer, maar ook omdat eerst het eigen huis op de bovenste verdieping afgebouwd werd, en als de familie geld nodig hadden, bouwde ze een verdieping eronder af die ze verhuurde voor wat extra inkomen. Of bij gezinsuitbreiding zodat de familie bij elkaar kon blijven wonen.

De chauffeur had het al heel de dag over een eierplant (eggplant, aubergine in het Engels), die hij ons wilde laten zien en zo grappig vond, dat hij bij de volgende tuinenwedstrijd van zijn gemeenschap ook zoiets wilde doen. De gemeenschappen deden volgens hem namelijk vaak onderling wedijveren voor de mooiste of bijzonderste tuinen, en de kleuren geel, groen en rood (de vlag van Grenada) kwam je ook overal tegen, los van allerlei andere vrolijke kleuren waar de huizen, schuttingen, losse stenen en muren mee geverfd waren. Eindelijk kwamen we dan in het zoveelste miezerbuitje aan bij de “eggplant” – inderdaad erg grappig gedaan, een paar agave-achtige planten bij een huis waarbij ieder scherp blad een leeggeblazen eierschil op het einde had geprikt! Hij ging zoiets een keer proberen maar de eieren dan geel, groen en rood verven, dat leek hem wel geschikt om de volgende wedstrijd mee te winnen!

De miezer begon onderhand wat meer door te zetten, maar het gaf wat ons betreft niet want daardoor begon het regenwoud heel mooi sfeervol te dampen, en kwamen er mooie dampwolken tussen de heuvels te hangen. Heel sfeervol en veel meer typisch voor de tropen dan een wit strandje met palmbomen wat ons betreft! Het regenwoud werd er nog groener, donkerder, ondoordringbaarder door, heel mooi!


Rond 11:30 kwamen we in een flinke regenbui bij de Dougaldston Spice Estate aan, en legde de chauffeur dus even in het busje uit hoe er onder de houten loods rekken gemonteerd waren die bij zonnig weer naar buiten konden rollen over speciale rails, en bij regen terug onder het gebouw geschoven konden worden zodat de specerijen niet zouden gaan rotten. Hierop werden namelijk de nootmuskaatnoten maar ook de cacaobonen gedroogd nadat ze gefermenteerd waren. Ze doen ze schijnbaar een paar dagen in dichte “zweetkisten” laten fermenteren, waarbij er een paar keer per dag de bonen van de ene naar de andere zweetkist overgeheveld wordt, zodat ze belucht worden. En dan gaan ze nog een aantal dagen op de droogrekken waar men ieder kwartier met blote voeten doorheenschuifelde om de bonen om te draaien zodat ze niet zouden gaan schimmelen. Pas na het fermenteren en drogen krijgen cacao en nootmuskaat hun karakteristieke geur en smaak – en dan moet cacao ook nog gebrand worden net als koffie (groeit ook overigens op het eiland!).


Bij een kaneelboom kun je je nog wel voorstellen dat iemand ooit gedacht heeft dat dat wel kon smaken in gerechten, want daar ruikt echt alles van naar kaneel; de bladeren meer zoetig en fris, naar kaneelsnoepjes of kaneelstokjes, en de bast zwaarder en rijker. Maar hoe kwam men er ooit op om nootmuskaat en cacao te gaan gebruiken? Daar moet je zo veel voor doen voordat ze worden zoals we ze nu kennen! De nootmuskaatboon en de verse foelie ruiken eigenlijk nergens naar, en de verse cacaoboon is een onappetijtelijk-uitziende wittige boon met een dun laagje friszuur vruchtvlees dat op zich wel smaakt, maar in de verste verte niet aan chocola doet denken...


De chauffeur parkeerde zijn busje naast een mooie oude gietijzeren weegbrug en we doken gauw de houten loods in; we hadden geluk, er waren zo’n 3 busjes voor ons maar die waren onderhand net klaar dus we hadden na een tijdje heel de loods voor onszelf.

Onze chauffeur nam ons naar een van de sorteertafels in het midden van de loods vol ramen met luiken voor de ventilatie en de schaduw, en gaf ons een korte cursus specerijen. Erg interessant! De cacao wisten we wel, dat hadden we in de Amazone mooi uitgelegd gekregen en van het vruchtvlees kunnen proeven “in het wild” tijdens een wandeling door de jungle. Maar de chauffeur vertelde ook over hoe ze hier op Grenada een soort cacaobolletjes maakte van de gefermenteerde, gedroogde en gebraden cacaobonen waar je heerlijke chocolade-thee mee kon maken – geen melk gebruiken maar water, volgens hem! En veel suiker vermoed ik, anders is het niet te drinken denk ik! Hij liet ons heerlijke zoet-kruidige bladeren ruiken die van de kaneelplant bleken te zijn, en versgeraspte nootmuskaat dat heel anders rook dan het bruine poeder dat wij thuis hebben. Hij had een verse cacaopeul, potjes met de cacaobolletjes, kruidnagel en allspice staan, er lagen grote stroken kaneelbast, stonden bakjes koffiebonen, foelie en nootmuskaatnoten, gemberwortel, en er lag een kalebas (groeit ook op het eiland, een oneetbaar broertje van de pompoen dat je kunt uithollen en laten drogen tot natuurlijke bakjes). Hij vertelde over alles en liet alles rondgaan om te ruiken, voelen of zelfs proeven. Ook stond er een afgesloten potje met een vies-uitziend bruin goedje... Het bleek de sterke 75% Grenadese rum te zijn, volgestopt met hele stukken gember, nootmuskaat, kruidnagel, kaneel en cacaobolletjes. Het ontnam me de adem omdat ik gelijk diep inademde, en het leek ons een erg heftig drankje, maar het rook op zich wel lekker als je weer een beetje bij adem was – volgens de chauffeur kon je het alleen onder de toonbank krijgen in kroegen en was het “overal goed voor”. Dat geloof ik best, zo’n sterk goedje doodt wel iedere bacil in je lijf ja! Ook lag er een lufa-spons op de sorteertafel, want die groeide hier uiteraard ook goed op het eiland – buiten groeide er een lufa-plant vol onrijpe lufa’s tegen een ruïne-muur.

Het was inmiddels weer droog buiten. Toen we klaar waren met de specerijencursus ging men naar buiten, specerijen kopen bij de paar verveelde vrouwen in de loods, of naar de wc’s vlakbij achter de loods. Dus had ik de kans om even in een bijna lege loods rond te lopen, waar de lezing-fotograaf, die onze groepsbegeleider vanuit het schip was, ook gretig gebruik van maakte. Hij maakt er ongetwijfeld mooiere foto’s van dan ik! We hebben daarna nog even een beetje buiten rondgelopen – er lag een grote metalen bak, volgens mij om rum in te stoken of zoiets? En nog wat oud gereedschap en machines tussen de afbrokkelende muurtjes.

Toen iedereen weer in het busje zat, hebben we een hele mooie rit door het regenwoud gemaakt waarin de chauffeur weer honderduit over de geschiedenis en specerijen en planten van Grenada vertelde, en waar mogelijk stopte om bomen en planten aan te wijzen of iets te plukken voor ons – meestal gewoon zo uit het raam omdat alles zo dicht tot aan de weg groeide! Hij had nog geen goede bouganvillea gevonden maar vlak buiten de Dougaldston Spice Estate vond hij een boom die liet zien wat hij bedoelde, stapte op de rem, sprong eruit en plukte wat paarse en wat oranjerode bloemen zodat wij konden zien dat de “echte” bloemetjes bij allebei de kleuren dezelfde kleur waren. Weer wat later spotte hij een kalebassenstruik, hup stoppen aan uw rechterkant... Een papayaboom, hetzelfde, en daarachter die grote woudreus met oranje bloemen? Die wordt door boeren gebruikt om hun land te markeren. Weer wat later, een kruidnagelstruik, en zo ging het steeds. De chauffeur wist zo veel en kon zo veel vertellen over alle planten en bomen op zijn eiland, het was echt een hele leuke rit!

We reden langs een van de laatste gehuchtjes voor het Grand Etang National Park begon en daar waren nog een paar mooie grote nootmuskaatbomen vlak langs de weg, dus daar werd ook even halt gehouden zodat we konden kijken, wat later spotte de chauffeur een guaveboom, dus daar werd een onrijpe vrucht geplukt voor ons om te bekijken, en geleidelijk aan reden we verder richting het nationaal park, de heuvels en het regenwoud in. Eerst nog even wat bomen en planten aanwijzen, wat kaneelbladeren plukken, het ging maar door! Bij een klein veldje lag een tros bananen die van de bananenplant gevallen was, wat zonde! Die had Hans wel willen hebben, maar ja, de boer zelf was nergens te verkennen en de chauffeur reed al weer door, hoewel hij zei dat de boer hem waarschijnlijk weggegeven had als hij er geweest was. Damn, dat is jammer!

Bij een bijzonder onhandig geparkeerd autowrak in een greppel legde de chauffeur lachend uit dat je voor de veldjes toch echt wel een vierwielaangedreven auto nodig had, zoals deze boer tot zijn frustratie ontdekte toen zijn bak bleef steken en er geen beweging meer in kreeg. Hoe hij hem ooit zo op die heuvel geparkeerd heeft! Er mocht in het nationaal park zelf niet gebouwd worden, en de heuvels waren bedekt met een dik, ondoordringbaar regenwoud dat nu vol mist hing, heel erg mooi. We reden langs “de Twin Towers”, twee enorme koningspalmen die volgens de chauffeur wel tot 40 meter hoog konden groeien – alleen hij was teleurgesteld, eentje was inmiddels zijn kruin kwijt. Het was onderhand goed aan het regenen en het water stroomde van de heuvels af. De chauffeur vond nog een mooie cacaoboom vlakbij de weg, dus daar werd onder andere ook even een fotostop ingelast. Erg apart zoals de cacaobonen recht op de stam groeien, en allerlei kleuren tegelijkertijd kunnen zijn; alsof ze allemaal op verschillende momenten rijpen. Zelfs op Sao Tomé hebben we niet zoveel cacao zien groeien als hier, ongelofelijk!

Het bleef maar regenen, de chauffeur bood zijn excuses aan dat wat een scenic ritje langs de hoogste heuvels van het eiland had moeten zijn, een scenic ritje door een doorweekt regenwoud werd met alle heuvels in de mist. Maar Hans en ik vonden het niet erg, het was een hele mooie rit zo. Omdat hij wist dat het laatste punt op het programma, het uitzichtspunt over het vulkanisch meer Grand Etang niks zou worden, bracht de chauffeur ons eerst even naar de rand van het meer zodat we in ieder geval het water zouden kunnen zien! Er was een breed grasveld voor je bij het water zelf kon komen, dat bleek een brede strook drijvende waterplanten te zijn.

Toen kwamen we bij het laatste punt op het programma, dat in dit regenachtige mistige weer vooral een rum-barretje was en niet veel meer dan dat. Bij mooi weer zouden hier mooie uitzichten moeten zijn, maar nu was het enkel het plekje waar we ons inbegrepen drankje konden halen; rumpunch of in ons geval “fresh fruit juice” dat een soort limonade bleek te zijn. Wel erg lekker tropische vruchtenmix, maar geen glas dik versgeperst vruchtensap dus helaas... Er liep een vrouw met planten en specerijen op haar hoofd rond voor de foto, en er zaten twee mannen improviserend te zingen, en er waren wat soevenirwinkeltjes met lokale (specerijen) spullen en de gebruikelijke toeristische spullen. Op een van de bovenste planken in het ene winkeltje kon je lege wijnflessen gevuld met hele specerijen erin kopen – alleen nog zelf (Grenadese) suikerrietrum toevoegen...

Het begon inmiddels te waaien en het goot van de regen – je stond eigenlijk alleen een beetje beschut onder het afdakje van het barretje, maar daar begon het al gauw zelfs een beetje koud te worden. Hans en ik ontdekte te laat dat het barretje ook uitstekende wifi had, dus we hebben nog even gauw wat appjes verstuurd. Tijd om te gaan, besloot de chauffeur, en hij verzamelde ons in zijn busje en we reden in een dampend busje met beslagen ramen een nog even mooie rit terug richting de kust (al append tot we geen bereik meer hadden!).

Onderweg reden we door een stuk regenwoud met veel bamboe, prachtige dijdikke bamboestammen in dichte bossen, een hele aparte sfeer zo in het regenwoud! Op gegeven moment kwamen we bij de volgens de chauffeur enigste “regenboogeucalyptus” van het eiland, daar speciaal in 1971 geplant, en dus zo’n 47 jaar oud. Wij hebben al meer dit soort eucalyptus gezien, maar hij was mooi met zijn gekleurde gestreepte bast.

Rond 14 uur waren we terug bij de cruiseterminal, en er was in principe nog genoeg tijd om wat dingen zelf te doen met zijn tweetjes, maar van wat ik van te voren als mogelijkheden had aangemerkt was de markt gesloten omdat het zondag was (we reden er onderweg terug naar de terminal langs), Fort Frederik te ver en niet de moeite waard, Fort George ook duidelijk niet de moeite waard, en de begraafplaats al gezien onderweg plus een beetje afgelegen met maar een paar Commonwealth graven dus zoeken naar een naald in een hooiberg. We waren moe, nat en vonden het wel welletjes voor vandaag!

Gelukkig konden we (via de verplichte winkelpassage in de terminal) gelijk doorlopen naar een wachtende shuttle, en zijn we in een dampende warme reddingsboot vol natte mensen terug naar het schip gebracht.

We hebben onze spullen in de hut gedumpt en zijn gelijk doorgelopen naar het buffet, waar we rond 14:30 waren – het werd wat langer opengehouden vanwege het gedoe met de shuttles, meestal zou het nu sluiten. Daar hebben we even gauw wat gegeten en iets voor 15 uur zaten we weer lekker in onze hut met droge kleren aan te kijken naar de regen die Grenada in de mist hulde. We hebben een hele leuke dag gehad en de regen maakte het alleen maar sfeervoller, maar toch is het niet erg om weer droge kleding aan te hebben, je wordt met dat in en uitstappen toch best wel nat.

Na het avondeten was het opgeklaard, en zag je in het donker de lichtjes van St. George schitteren. We voeren om 20 uur weg, maar Hans en ik hebben alleen een beetje vanuit de hut gekeken – wegvaren vanuit ankerplaats (zeker als je niet mag zien hoe het anker gelicht wordt) is toch minder leuk om naar te kijken dan wegvaren uit een haven.

free counters