Januari 2018: Wereldreis per cruiseschip

HOME
ROUTE
LANDEN
MV COLUMBUS
2021 SLOOP
AAN BOORD
WERELD

We werden vanochtend iets na 7 uur wakker, en merkte aan de gps-kaart op tv dat we al aan de kant lagen. Buiten aan onze kant van het schip zagen we alleen maar water, met wat boeien in onze buurt en twee vissers in een ronde boot die leek op een ondiepe mand met een buitenboordmotor eraan; ze waren hun net aan het binnenhalen. Als we op het balkon stonden zagen we voor ons nog net een klein stukje natuurlijke oever; rotsstrand en begroeien. Naar achteren kijken op het balkon was niets te zien behalve water en in de verte land. Geen wereldhaven dus, zo te zien! Ik had van te voren al gelezen op internet dat Chan May een industriele haven was waar er niets te beleven was – niet dat dat voor ons een probleem was, want wij hadden een scheepsexcursie geboekt voor vandaag.

We moesten eigenlijk pas om 8 uur in de Palladium showlounge zijn voor de verzameltijd voor onze excursie. Waarom snappen we eigenlijk niet zo goed, want er is geen paspoortcontrole voor deze haven en geen tender dus iedereen zou in principe zelf aan land moeten kunnen – maar sinds Shanghai hanteren ze het principe van genummerde stickers per bus, waarschijnlijk ook omdat het henzelf wat meer houvast geeft op hoeveel mensen ze hebben en waar iedereen is en zo. Op zich geen slecht systeem maar iedereen moet nog altijd binnen een beperkte tijd (zoals nu, vanochtend) zo’n sticker gaan halen in de showlounge en dan wachten om per bus-groepje aan land te gaan. En voor maximaal 100 man kan zoiets misschien wel goed werken, maar dit is een schip met ruim 1000 man waarvan toch altijd zeker de helft en soms wel meer een excursie lijkt te doen.


Wij waren vroeg op en klaar en besloten wat eerder naar beneden te gaan, en stonden om 7:50 al bij de Palladium. Maar schijnbaar had iedereen dat idee gehad en waren er ontzettend veel mensen voor de excursies die rond dezelfde tijden moesten verzamelen. Dus, waar we meestal gelijk achteraan de rij kunnen schuiven als we uit het trappenhuis stappen, moesten we nu helemaal naar het midden van het schip (de Palladium ligt voorin, bij de voorste trappen) lopen en konden we pas bij het begin van de Connexions Bar halverwege het schip aanschuiven – en liep de rij achter ons gauw nog langer door!

Er zat gelukkig wel enige beweging in de rij, en in een kwartier tijd schuifelde we langszaam tot aan de deuren van de Palladium, waar we iets na 8 uur dan eindelijk ons stickertje kregen met welke busnummer we hadden en konden gaan wachten tot onze groep omgeroepen werd om aan land te gaan. In principe zouden we nu ook zelf kunnen gaan lopen, want de bussen staan gewoon beneden te wachten en zijn altijd duidelijk genummerd.

Na ruim 5 minuten wachten kon onze busgroep al achter een begeleider van het schip aanlopen. De begeleiders, die gratis meemogen als ze deze ‘taak’ op zich nemen, zijn zangers, dansers, lezinggevers, de knutseldames, zelfs de scheepsfotograven (trouwens een extern bedrijfje dat aan boord zijn waren probeert te verkopen) – de ene loopt enkel mee met de lokale gids en laat alles aan hem over, en de ander neemt zijn rol bloedserieus en telt iedereen drie keer na.


Om 8:15 stapte we de kade op; het is een kleine haven, zelfs de kade was maar klein: echt een lokale doorvoerhaven waar spullen afgeleverd worden en via land of via kleinere schuiten verder vervoerd. De haven leek zelfs gewoon in de jungle gebouwd te zijn, zonder noemenswaardige infrastructuur en nauwelijks bebouwing, los van wat mobiele soevenirstalletjes en wat hijsmaterieel, bulk-transportbanden en rommel op de kade, en in de verte wat industrie zoals opslagtanks.

Om 8:25 gingen we rijden, en buiten het kleine haventerrein bleek er vooral platteland en hier en daar een dorpje te zijn. Wat zullen de bemanningsleden die hopen op een cruiseterminal en/of wifi teleurgesteld zijn! Er werd ook geen shuttle geboden vandaag, want er was gewoon niets in de buurt om naar toe geshuttled te worden! Maar wij vonden de rit door het platteland wel leuk, we reden langs dorpjes en velden en begraafplaatsen.

De begraafplaatsen waren bijzonder, en bijna onmogelijk om te fotograferen omdat ze vaak een eind van de weg lagen en tussen de bosjes – dus zelfs met de sportstand had ik vooral struiken en bomen op de foto en geen graven. De graven waren namelijk, om te zien, net minitempels, mooi versierd met pilaren, krullen, kleurrijk geschilderd en met allerlei uitgebreide ornamenten en beelden en versieringen – vaak ook met een altaar-gedeelte en een “poort”gedeelte – heel apart, zeker als er een hoop van deze graven (die zo te zien ieder toch wel zo’n 8-12 vierkante meter in beslag namen, zo groot waren ze) bij elkaar stonden. Ook waren er “gewone” rechthoekige graven. Maar opvallend veel begraafplaatsen dus onderweg, en sommige zo te zien erg oud.

Het landschap onderweg was ook best mooi; fris groen, vooral de rijstvelden die een hele mooie frisse bijna geelgroen zijn. In de verte heuvels in allerlei tinten groen en donkergroen, veel velden, regelmatig mooie harige karbouwen herkauwend tussen de struiken of in weilanden, en heel soms een boer in het veld met typische Vietnamese rieten punthoed op (of een motorhelm, want dan was hij met zijn scootertje naar zijn veld gereden). Regelmatig ook kleine dorpjes met winkels en allerlei bedrijvigheid op straat, en af en toe een ornate tempel, soms met prachtige poort vol kronkelende en veelkleurige draken, prachtig! En opvallend veel stalletjes langs de weg in het eerste half uur dat we reden, met flesjes met een gelige vloeistof te koop. Volgens onze lokale gids werd er hier lokaal eucalyptus-olie gestookt, wat moet dat sterk ruiken! En inderdaad, toen we erop gingen letten waren er regelmatig in de buurt van de rekken met flessen ook zwartgeblakerde tonnen en ketels, soms zelfs op een vuurtje, waarin de eucalyptusolie gestookt werd.

Naarmate we langer reden begon er meer bebouwing te komen; Hue is van 1802 tot 1945 de hoofdstad van Vietnam geweest, en zal daarvoor ook zeker een belangrijke stad geweest zijn, maar er was dus al ver buiten de stad wel redelijk wat laagbouw en huizen. En typisch genoeg, vaak hele smalle, diepe huizen en vaak met meerdere verdiepingen – een gek gezicht, vermoedelijk zijn er voorschriften voor de stukken land die verkocht worden en is er een standaardbreedte? De huizen waren soms heel eenvoudig ontworpen maar soms met allerlei kolommen en balkonnen op allerlei verdiepingen. Soms stond er op het hoogste balkon van een woonhuis een groot (echt groot, ik heb zeker een paar keer een levensgroot beeld gezien) van Maria of van Chinese godheden. En men deed zichtbaar graag planten kweken op de vele balkons, vaak zo te zien ook enkel ter decoratie.

Naarmate we dichterbij de stad Hue kwamen, zagen we ook weer meer begraafplaatsen – soms een of een paar graven ook gewoon “los” tussen de huizen. Maar misschien is dat wel omdat het hier in dit soort landen, zoals onze lokale gids ook aangaf in zijn verhalen onderweg, heel gewoon is om de voorvaderen te eren en regelmatig te bezoeken. En dan is het gewoon praktisch om het graf van oma vlakbij te hebben zeker! Op gegeven moment zagen we ook een begraafplaats die meer uniform en militair leek, met allemaal dezelfde soort eenvoudige grafstenen in keurige rijen; onze lokale gids bevestigde ook dat dit een militaire begraafplaats was van “de laatste oorlog” zoals hij de Vietnam Oorlog netjes noemde.

Onderweg waren er allerlei werkplaatsen en winkels, zoals houtbewerkers – en dus ook grafkist makers. Ook kwamen we regelmatig langs kleine vierkante vijvers of ondergelopen velden; volgens onze gids werden hier garnalen gekweekt. Hans had een paar jaar terug een documentaire gezien waarin behandeld werd hoe deze garnalen – en hij weet bijna zeker dat het om Vietnamese garnalen ging of in ieder geval dit soort kweekvijvers – vol ziektes en ongezonde stoffen zaten omdat ze zo weinig bewegingsvrijheid hadden, en dus ook behoorlijk ongezond konden zijn voor mensen. Scooters waren ongelofelijk populair, zagen we – het stikte er op straat van. Maar dat kwam ook, vertelde onze gids, omdat een scooter niet zo heel duur was maar je voor een auto al gauw 100% belasting moest betalen bovenop de kosten van de auto. En ondertussen werd van alles vervoerd op scooters; er waren zelfs speciale aanhangwagentjes waarmee je meer en vooral ook langere dingen kon vervoeren!

Rond 9:45 waren we in Hue, waar we bij een sierraden- en parelwinkel een plaspauze konden houden. We kregen zelfs een glaasje lauwe thee aangeboden. De winkelier had ongetwijfeld zijn toiletten beschikbaar gesteld in de hoop dat er onderweg naar buiten nog wat gekocht zou worden, en dat leek ook zeker het geval te zijn! Buiten de winkel stond een dame hele mooie opklapkaarten te verkopen die heel fijn gemaakt waren; als je ze openklapte waren er complete kasteeltjes, bomen, schepen, van alles te zien. Erg mooi gedaan! De winkeldames in de winkel droegen een uniform gebaseerd op het traditionele kostuum; speciaal bestemd voor rank-gebouwde dames was het bijzonder elegant; een losse zijde broek met daarover een zijde hemd tot aan de enkels in dezelfde kleur, maar wel met een split aan iedere kant tot aan de taille – dus je kreeg het effect van een zwierig gewaad met, aan de zijkant, piepkleine glimpsen van een blote taille waar de split van het hemd net bovenuit de broek piepte. Genoeg om de mannen af te leiden zodat hun vrouwen zouden kopen, zeker!

Omdat de pauze 15 minuten was, zijn Hans en ik nog een beetje op straat gaan kijken; de kaarten waren leuk, maar redelijk duur, en duidelijk van dichtbij machinaal gemaakt en niet handgemaakt – maar niettemin knap! Bij een metaalwerkplaats vlakbij stonden twee altaartjes bij de voordeur, zo te zien met dezelfde soort offers; een kammetje, een flesje eucalyptusolie (populair bij het offeren), wierookstaafjes, en een spiegeltje. Op straat stikte het van de scooters. Een meubelwinkel had een paar indrukwekkende grote platen mooi natuurlijk hout in de etalage liggen, en we zitten al sinds een half jaartje te denken wat voor eettafel we willen; dit sprak ons wel aan (even los van de vraag hoe je het vanuit Vietnam terug naar Nederland moest krijgen en vooral hoeveel dat wel niet zou kosten), maar we hoefde er niet eens over na te denken. Toen ik de Vietnamese prijs namelijk omgerekend had naar euro’s, bleek de plaat hout wel 8000 euro te kosten – ver boven ons budget!

Om 10 uur zijn we weer gaan rijden, door de drukke stad van Hue heen naar de citadel, de oude ommuurde stad. Onderweg reden we opeens langs een hotel waar een spandoek hing: “Warmly welcome passengers on MV Columbus”. Lachen! Dat is waarschijnlijk onze lunchplek straks of zo!

Om 10:15 parkeerde de bus voor de oude citadel van Hue, de ommuurde stad en keizerlijk paleis, gebouwd nadat Hue in 1802 de hoofdstad van Vietnam gemaakt werd. Het keizerlijk paleis heet het “Verboden Paarse Paleis” en is schijnbaar qua ontwerp gebaseerd op de Verboden Stad in Beijing. Maar volgens onze gids is nog maar zo’n 25% intact, nadat grote delen beschadigd zijn geraakt in de Vietnam Oorlog, en de rest door weer en wind (en vermoedelijk dus geen onderhoud anders heeft weer en wind niet zo’n effect). De citadel is een tijd geleden tot monument verklaard en daarmee iets beter beschermd, en wij gingen nu dus het meest intacte gedeelte bezoeken schijnbaar.

Onderweg naar een van de hoofdpoorten liepen we langs een monument voor iets wat in 1945 is gebeurd, hier in Hue, maar je kon er niets van maken want alles stond in het Vietnamees helaas. Onze lokale gids hielp ons de drukke weg oversteken – je moet doelbewust en zonder treuzelen dóór het verkeer lopen, ruimte latend voor de scooters zodat zij ruimte kunnen laten voor jou, maar niet treuzelen anders kon je niet naar de overkant, maar dat was voor sommige mensen een beetje eng dus onze gids stelde zich op als klaarover om het verkeer te regelen. Onderweg naar een brug naar de poort liepen we langs bomen waaruit een oorverdovend gekrekel kwam – echt harder dan Hans en ik het ooit gehoord hadden; van cicades in de bomen!

Eenmaal op het terrein van de citadel moesten we even wachten terwijl onze gids kaartjes ging regelen, en konden we de grote massieve poorten bewonderen waar we net onderdoor gelopen waren. Bovenop stonden hoge vlaggenmasten met een gigantische vlag erin, en bij iedere poort stonden grote kanonnen; aan de ene kant 4, van de 4 seizoenen, en aan de andere kant 5, van de 5 elementen (volgens Vietnamees geloof en onze gids). Toen onze gids terug was gaf hij nog even een algemeen verhaaltje over de citadel en welke keizer hem had laten bouwen – Gia Long, de eerste keizer van de Nguyen-dynastie, liet dit tussen 1804-1835 bouwen – voor we naar schijnbaar een van de mooiste delen van de citadel konden lopen, de Noon Gate vlakbij, de poort naar het keizerlijk paleisterrein zelf.

Daar stonden al allerlei Aziatisch en Europese toeristen druk te fotograferen, inclusief Vietnamese dames in de traditionele broek-met-hemd (maar dan de broek bijna altijd in een contrasterende kleur tot het “hemd” dat erover wapperde) en ook allemaal met het bijzonder ranke figuur; ongelofelijk, sommige waren echt heel rank! In rustige momenten tussendoor probeerde ik de poort op de foto te zetten met niet al te veel mensen op de voorgrond (het was hier in de citadel duidelijk erg druk!), en de ornamenten op de daken te fotograferen; alle versiersels die op het eerste oog beschilderd of gebeeldhouwd leken te zijn, bleken van een mozaiek van stukjes porselein gemaakt te zijn, een heel apart effect! Vóór de poort was een vijver of slotgracht, en toen onze gids klaar was met zijn praatje (hij hield hier bij de poort ook weer een praatje) konden we door, de poort onderdoor en het paleis-terrein op.

Eenmaal binnen hield de gids wéér een praatje (en gek genoeg, wat hij vertelde was niet eens zo veel, vooral veel herhaling en algemene dingen die we zelf ook konden zien, en natuurlijk jaartalletjes en welke keizer welk gedeelte gemaakt had, enzovoorts...), en konden we ondertussen de poort van de andere kant bewonderen. Het porselein-mozaiek was af en toe redelijk grof, maar meestal gaf het juist erg veel karakter aan datgene wat het bedekte – zo werd het lichaam van een draak op de punt van het dak met porselein-schubben bedekt, die ook echt uitstaken als echte schubben; erg levendig om te zien!

Vlakbij stond een zo te zien geemaileerde poort die leidde naar een brug over een vijver. Dat was de lotusvijver, en werd ook nog van alles over verteld door onze gids (terwijl hij bij de poort bleef staan), en om de vijver heen stonden kale bomen met dikkige takken; frangipani die nog niet in bloei of blad waren. Na ruim 5 minuten wachten (ik was al lang niet meer aan het luisteren, Hans deed nog een poging) was onze gids eindelijk klaar met dit praatje en konden we lopen richting de grote hal aan de andere kant van de vijver. Inmiddels was het al bijna 10:45 en waren we al bijna een half uur binnen het terrein zelf zonder eigenlijk nog maar iets gezien te hebben.

Over het algemeen kwamen de gebouwen allemaal een beetje donker en groezelig over; misschien lag dat ook aan het weer, het was een beetje grijs en grauw, maar het hielp ook niet mee dat het gesteente waar alles van gemaakt was, een beetje donker was, en de verf en het hout was allemaal niet zo fris; van dichtbij gezien waren details ook afgebladerd, slecht of niet gerestaureerd, het was duidelijk dat er niet genoeg budget was voor het onderhoud van dit bijzondere terrein, wat erg zonde is want het is nu al een toeristische attractie en zou veel sprankelender over kunnen komen zonder “kapotgerestaureerd” te hoeven worden.


Deze grote hal was het centrale paviljoen van het complex, de “Palace of Supreme Harmony”. Binnen mochten geen foto’s gemaakt worden, hoewel er eigenlijk bijna niets te zien was in de hal zelf, los van een paar tronen en wat porseleinen vazen. Het dak was van hout, mooi versierd in rood en goud, ondersteund door houten pilaren, en ik heb een paar stiekeme foto’s gemaakt vanuit mijn buik genomen – wat toch al ver de positie is waar ik het toestel ook in rust vasthoud – zodat de bewaker niet zou zien dat het scherm oplichtte. Maar eigenlijk was het niet echt de moeite waard, want er was gewoon niet zo heel veel te zien.

Na een praatje van 5 minuten liep onze gids door richting de achterkant van het paviljoen (de constante en vooral lange uitleg overal begon een beetje saai te worden), waar een maquette van de keizerlijke citadel was om een indruk te geven van de vroegere grandeur. Hier mochten wel foto’s gemaakt worden en net toen ik mijn fototoestel en twee andere vrouwen hun telefoons oplichtte om foto’s van de maquette te maken begon iemand van onze groep te roepen “no photos, NO PHOTOS”. Tot ze erop gewezen werd dat het hier wel mocht. Er is een sterke sociale controle voor dit soort dingen onder de passagiers onderling op excursies, zeker door sommige mensen, wat op zich heel goed is in plekken zoals de kiwi’s in Rotorua, Nieuw Zeeland, die zelfs van het rode zoeklichtje van een camera zonder flits last kunnen hebben en hun ogen beschadigd kunnen raken. Maar soms kan iemand dus een beetje té enthousiast zijn, zoals hier! Duidelijk dat een paar mensen die geen foto hadden durven nemen nu wel durfde, want toen het duidelijk werd dat het mocht kwamen de ipads, mobieltjes en fototoestellen pas echt goed tevoorschijn!


Bij de maquette en de uitgang van de hal deed onze gids weer een verhaal houden, en ondertussen keken Hans en ik een beetje in de omgeving rond; maar echt ver konden we niet gaan omdat we niet wisten welke kant hij verder op zou gaan en de ontmoetingsplaats met de bus niet dezelfde zou zijn als waar vandaan we begonnen waren.

Na 5 minuten kwam er om 11 uur weer beweging in de groep en konden we door naar het volgende punt. We liepen over een pleintje met gigantische bronzen potten, tot de nok toe vol met regenwater want er was geen gaatje in de onderkant geboord; wat een gewicht moet dat zijn!

We liepen naar een ander paviljoen aan het pleintje, hier mochten wel foto’s gemaakt worden volgens de gids. Er was een winkeltje in dit paviljoen, je kon er soevenirs en ijsjes en zo kopen, en je kon “keizerlijke” kleding huren en jezelf op een troon en/of een rijtuig laten fotograferen. Zelfs met dienstbodes of lijfwachten erbij, er was een hele prijslijst en in een ruimte naast de “troonzaal” was een kleedkamer compleet met visagisten om je mooi op te maken. Een stuk professioneler dan het in Noord Korea was! Er was onder de Aziatische toeristen veel animo om zich te verkleden en er waren eigenlijk constant mensen in traditioneel kostuum aan het rondlopen. Het leek er ook op alsof je de kleding voor een dagje kon huren want in andere delen van de citadel hadden we ook weleens iemand in kostuum gezien.

Dit paviljoen was mooi beschilderd van binnen, maar er stonden flinke airco’s vanwege de verkleedpartijen. In het gangetje erbij hingen de kostuums die niet meer gebruikt werden, te koop. De versieringen op het dak van dit paviljoen waren een stuk grover dan bij de Noon Gate – ik had het idee dat ze gerestaureerd waren maar met minder goede materialen en/of minder zorg. Hans en ik liepen een beetje rond op het pleintje, en keken naar de verkleedpartijen, want we hadden hier 20 minuten vrije tijd. En je kon eigenlijk geen kant op, maar zo heel veel was er ook eigenlijk niet echt hier te zien; wat aaneengesloten pleintjes, karakteristieke muurtjes en paviljoenen met gebogen daken, en alles van net iets mindere kwaliteit en fijnheid dan we tot nu toe in bijvoorbeeld tempels en zo gezien hadden. Het restauratiewerk was hier zelfs haast nog groffer dan in Zhujiajiao in Shanghai, wij vermoeden omdat er eigenlijk weinig echt vakmanschap was en natuurlijk ook gewoon te weinig middelen en geld. Wij zijn op gegeven moment de gids gaan halen want toen stond iedereen er al 25 minuten en waren zelfs de kopers wel uitgekocht. Maar net op dat moment kwam hij zelf ook opdagen. Hans en ik vroegen hem wanneer we bij de uitgang moesten staan want we wilde onderhand wel een beetje een sneller tempo dan dit, maar hij deed daar moeilijk over, dat we het niet zouden vinden en er geen tijd was. Dus we bleven maar bij hem.

En dit bleek het laatste punt op het programma te zijn geweest in de citadel, want nu liepen we eigenlijk min of meer direct tot aan een andere poort die ons weer uit de citadel leidde! Wat een waardeloze rondleiding dus. Maar misschien was er ook gewoon niet veel meer te zien geweest, als inderdaad zo veel van de citadel beschadigd was geraakt door de tand des tijds en de oorlog (en het feit dat dit land waarschijnlijk erg arm is, want hun belangrijkste exportproduct is rijst, en meestal geeft dat aan dat er dus voor de rest weinig geboden wordt).

De laatste poort was echter wel een mooie afsluiter van de citadel van Hue, want deze was het meest kleurrijke bouwwerk tot nu toe, en heel erg mooi met allerlei driedimensionale versieringen van draken, bloemen en krullen bekleed met het gebroken-porselein-mozaiek. Delen waren zelfs met gebroken flessenglas versierd, die delen waren wel recent vermoeden we! Hier wilde de gids nota bene doorlopen, hij had opeens haast en geen interesse in vertellen – maar iedereen vond de poort zo mooi dat de groep hem een paar minuten lang bewonderd heeft en de gids wel moest wachten.

We werden om de muren van het paleis in de citadel heen geleid, en je zag hier pas echt goed in wat voor slechte algemene staat de citadel was. Wat zonde van zo’n overduidelijk mooi complex! Tussen de vele scooters door wevend staken we de wegen over en liepen we door de poort van de buitenmuren van het citadelcomplex heen richting de bus.

Om 11:45 waren we bij het parkeerterrein waar de bussen stonden en konden we instappen om naar het volgende punt op het programma te gaan, de Thien Mu Pagoda. Na een kort ritje van 5 minuten konden we al weer uitstappen om een klein eindje langs allerlei winkeltjes en eettentjes naar de pagoda te lopen.

Om bij het tempelcomplex en de pagoda te komen moesten we een hoge, steile trap aan het water opklimmen – de treden waren hoog en smal en veel van de minder mobiele mensen hadden er een beetje moeite mee. De pagoda zelf konden we niet in, en Hans en ik zagen al weer dat de gids een lang verhaal ging houden dus we gingen een beetje op eigen houtje rondlopen. Er waren wat kleine bijgebouwtjes met daarin altaartjes zoals een grote stenen schildpad met daarop een stenen zuil met teksten.

Achter de pagoda lag nog een tempelcomplex, waar je via een grote poort in de muur kon komen. Op de muren van de poort waren grote driedimensionale poortwachters afgebeeld. Ik liep nog een beetje rond in het eerste gedeelte, bij de pagoda, terwijl Hans bij de gids bleef staan luisteren, maar dat duurde maar en op gegeven moment kwam Hans me achteraan en liepen we het tweede gedeelte in – er liepen hier allerlei groepen rond en we hadden geen zin om bij de gids te blijven om erachter te komen dat er geen tijd was om de rest van het complex te verkennen als hij klaar was met praten!

In een gebouwtje tegen de muur naar het tweede gedeelte was een mooie grote bronzen bel met een stok om hem te luiden. In dit tweede gedeelte was de hoofdtempel, met het hoofdaltaar. Om daar dichtbij te mogen komen moest je je schoenen uit doen maar wij konden van buiten al zien dat er niet veel extra’s te zien was om de moeite te lonen om onze schoenen uit te doen. Het was bloedheet en behoorlijk vochtig en we hadden het warm, maar we installeerde onszelf lekker op de rand van de vloer van de hoofdtempel, precies hoog genoeg om lekker te kunnen zitten.

Onze gids was ondertussen geleidelijk aan met de rest van de groep het tweede gedeelte in komen wandelen. In een bijgebouwtje naast de hoofdtempel stond een oude auto, typisch! Erboven stond een bordje met de titel “a relic” (een relikwie, nog typischer). Het bleek de auto geweest te zijn waarmee in 1963 een monnik uit deze tempel zich verplaatste naar een plein in Ho Chi Min Stad om zich daar voor de ogen van iedereen op straat in brand te steken om te protesteren hoe Boeddhisten behandeld werden door het toenmalige regime. Hij was de eerste die dat deed en het werd wereldnieuws en schokte iedereen.

Achter de hoofdtempel leek het woongedeelte van de monnikken van de tempel te zijn, samen met wat losse paviljoens voor zij-altaars vermoedelijk. Er was een bonsai-boom tuintje waar allerlei potten met grote bonsaibomen stonden, en er leek een schooltje voor kinderen te zijn – toen wij aankwamen waren net een paar jongens, monnikken in opleiding, bezig om grote zware zakken kokosnoten weg te slepen. Het was best een mooi terrein, met tuinen die duidelijk door de monnikken onderhouden werden, bomen voor schaduw, en achterin het terrein nog een soort altaar tussen de bomen.

De gids was onderhand ook zo ver en met ons meegelopen, en droeg iedereen op om naar een terras te gaan waarvandaan we het altaar tussen de bomen konden fotograferen. Maar dat was een flinke afstand er vandaan en er stonden steeds mensen voor, dus geen geweldige plek om te staan. De gids wilde niet dat mensen er naar toe gingen lopen maar we stonden er wel 5 minuten of wat te wachten dus ik ben even gauw naar het altaar toegelopen voor een foto en daarna weer terug de groep achteraan, die net in beweging was gekomen.

We kwamen bij de voorkant van het hoofdaltaar en toen bleek dat onze groep nog niet eens daarin was geweest! Het was maar goed dat Hans en ik hier zelf een beetje waren gaan rondlopen, wat deed deze gids overal lang vertellen! Na een paar minuten was iedereen zo ver en rond 12:30 liepen we de steile trap af richting het water voor het volgende gedeelte van het programma. Maar terwijl de jonge gids zo de trap af huppelde hadden sommige van de wat oudere mensen in de groep behoorlijke moeite met de hoge, steil en smalle traptreden! Een vrouw naast mij kreeg het zelfs benauwd en hoogtevrees en vroeg om hulp, dus ik bood haar mijn arm aan waardoor ze, tot haar eigen verrassing, moeiteloos naar beneden kwam. Ik zag achter mij dat Hans en een andere man vrouwen ook hulp geboden hadden, het was inderdaad lastig lopen en er waren geen balustrades natuurlijk.

Iedereen hielp elkaar een beetje de trappen af en toen naar de waterkant, waar platte schuiten lagen met mooie kleurrijk geschilderde metalen draken op de zijkanten, en één of twee drakenkoppen aan de voorkant en drakenstaarten aan de achterkant, afhankelijk van hoe breed de schuit was. De onze was breed, dus wij hadden twee drakenkoppen en drakenstaarten, van plaatmetaal gemaakt en in felle kleuren geschilderd, erg leuk! Er lagen wel tien van deze drakenboten naast elkaar aan de kade, wat een erg mooi en kleurrijk zicht was.

Binnenin waren plastic stoeltjes en bleek de schuit een complete soevenirwinkel te bevatten; we zouden maar schuin naar de overkant van de rivier gebracht worden, een vaartochtje van zo’n 10 minuten, maar de familieleden van de bestuurder van de boot waren gehaaide verkopers en de dollars vlogen dan ook rond, ze deden goede zaken in die paar minuten! Er werden fluisterend “speciale prijzen” geboden aan diegene die graag onderhandelde, er werd nooit aangedrongen maar wel beleefd oplettend datgene aangeboden wat ze dachten dat jij wilde kopen (of het nu zijde kleding, prulletjes, of een koud biertje was) en mocht je interesse ergens in hebben werden gauw alle kleuren of versies daarvan tevoorschijn getoverd. Tijdens het varen kwam een boot langs die zand vervoerde, en we zagen nog net de “vrouw des huize” met een Amerikaanse HELM water uit de rivier scheppen! Bizar...

Om 12:45 kwamen wij en een aantal andere drakenboten aan bij de kade van een resort hotel aan de andere kant van de rivier – je kon de pagoda nog zien liggen in de verte – en werd het even dringen bij de smalle kade welke drakenboot eerst mocht. Op gegeven moment lagen wij aan de kade met de loopplank uit, en wilde onze begeleidster vanuit het schip, een van de danseressen die zich duidelijk al heel de dag redelijk verveelde, aan land stappen – maar net op dat moment schoof een andere drakenboot aan de kade en schoof ons opzij, waardoor ze geluk had dat haar voet niet klem kwam te zitten op de losse loopplank die door het bewegen onder onze boot schoof. Dat was waarschijnlijk het einde van haar danscarierre geweest!

In het restaurant van het resort konden we bij een uitgebreid buffet allerlei lekkere dingen pakken. Vooral de versgefrituurde hapjes waren heerlijk; uiteraard konden loempiaatjes niet ontbreken, en er waren garnalen in een korstje, en een soort groente-tempura die wij allebei ontzettend lekker vonden – dunne strips gemende groente in een beslag gedoopt en als kluitje groente gebakken, erg lekker. Ook de “frietjes” met royale hoeveelheden knoflook erover waren erg lekker...

Ondertussen waren op een podium wat dames in traditionele kleding aan het dansen voor ons. Af en toe kleedde ze zich even om en kwamen ze terug, en ze deden samen met de mannelijke muzikanten op gegeven moment musiceren door in iedere hand twee kleine porseleinen theekopjes (de Chinese versie, zonder oortje) als castagnetten te klepperen; een heel liefelijk tinkelend geluid. Het klonk allemaal als traditionele Vietnamese nummers, tot we opeens “Que sera, sera” en wat andere bekende nummers herkende – alleen volledig verVietnameesd!

Na een klein uurtje waren we om 13:45 klaar met de lunch en was het tijd om terug naar de drakenboten te gaan. Je zou denken dat niemand meer iets wilde kopen, maar in de oversteek van 10 minuten naar de pagoda waar de bus stond werden weer een aantal producten verkocht – een goed concept dus, een soevenirwinkel in een drakenboot!

Rond 14 uur zaten we weer in de bus, op naar het volgende onderdeel van het programma. We reden nu de stad uit richting de heuvels. Tijdens het rijden door de stad zag je nog af en toe resten van de ongetwijfelde uitbundige rijkdom die Hue ooit gehad had als hoofdstad waar de keizer verbleef. Nu vaak vervallen en begroeid met groen, of een beetje verloren tussen de huizen staand. Tijdens het rijden zagen we weer veel scooters, beladen met van alles; het mooiste vond ik een volledig rijdend restaurantje; een scooter met breed zijspan bevatte een paar opklaptafels, een paar stapels krukjes, een brander, een paar potten en pannen en een afdakje. Ongelofelijk! Dat is pas een pop-up restaurantje!

Naarmate we verder de stad uit en de heuvels in reden zagen we steeds meer wierook met felgekleurde stokjes langs de kant van de weg liggen drogen, en stalletjes die het in mooie patronen weggelegd verkochten. Aan de rand van de stad lagen mooie parken, tempels en weelderige begraafplaatsen, vermoedelijk van de edelen van Hue.

We stopte bij een stalletje om te zien hoe de wierookstokjes gerold werden; dat was indrukwekkend! Een vrouw zat ze aan de lopende band te rollen door met een plankje van een rol wierook “klei” dunne reepjes te rollen met een dun bamboestokje erin meegerold. De nattige klei-stokjes werden door fijn zaagsel gerold zodat ze niet aan elkaar zouden plakken en schijnbaar kon ze wel 1000 stokjes per dag rollen! Het rook heerlijk naar kaneel met een vleugje steranijs – de “smaak” van de stokjes die ze vandaag aan het rollen was. Ze gaf een klompje klei aan ons om te ruiken en je zou zo geneigd zijn om hem in je mond te steken, zo lekker rook hij! Sowieso rook het heerlijk, want ze verkochten er allerlei “smaken” wierook, zoals kruidnagel, kaneel, anijs, en allerlei andere heerlijke geuren die nu door elkaar mengde. We bleven een tijdje kijken naar het haast hypnotiserende rollen – als ze klaar waren werden ze in waaiers buiten gezet om in de buitenlucht te drogen.

Terwijl de wierook-rolster even een pauze nam om haar gemaakte stokjes te schikken in de bamboemand deed onze gids uitleggen hoe er in de karakteristieke rieten hoeden vaak patronen en zelfs afbeeldingen verwerkt worden – tussen de twee lagen riet werd een papier met uitgeknipte scenes genaaid, onzichtbaar tenzij je de hoed tegen het licht hield. We hebben even rondgekeken en wilde eigenlijk wel een soevenir kopen; zo’n rieten hoed was mooi voor onze kleine hoedenverzameling uit Peru, Kazan (deelrepubliek van Rusland, gekocht op onze Volga-reis), Oezbekistan en Kyrgizië – alleen ze waren zo groot! En toen vond Hans miniatuurhoedjes, een perfecte maat voor in de kast en een perfecte maat voor zijn kleinkind voor van de zomer in de tuin! We hebben er dus twee gekocht, en toen nog even rondgekeken in de winkel, en gelopen naar een hoop uitgespreidde wierookstokjes die langs de weg lag te drogen.

Het was inmiddels 14:30 en we reden weer een paar minuten verder de heuvels en bossen in, om uiteindelijk te stoppen bij de graf van de “vierde keizer” volgens onze gids, Tu Duc volgens onze gegevens. We verwachtte eigenlijk een paviljoen of zo met de graf te zullen bezoeken, maar deze keizer had een heel groot complex laten aanleggen voor zijn laatste rustplaats; het was gigantisch! Schijnbaar bevatte het terrein een miniatuur paleis, de voormalige koninklijke jachtvelden, allerlei tuinen, allerlei meren met paviljoens eraan en eilandjes in het midden, en natuurlijk het ene bouwwerk na het andere. We hebben er maar een fractie van gezien, maar zagen al dat je hier gerust een dag kon rondbrengen en nog niet alles gezien hebben, en het zag er ook veel mooier en veel beter onderhouden uit dan de keizerlijke citadel in Hue zelf. Dit was wat ons betreft het hoogtepunt van de dag, wat een prachtig terrein!


We liepen door een grote donker stenen poort in een hoge stenen muur, omringd met bomen en struiken, het terrein op, dat volgens een plattegrond in totaal wel 12 hectaren is. Onze gids begon weer aan een praatje, en we haalde er in ieder geval uit dat – volgens hem, op de plattegrond staat dat nergens – de werkelijke begraafplaats van Tu Duc onbekend is, en dat zijn concubines drie jaar op dit terrein moesten verblijven en hem eren, voor ze wegmochten. Maar dan waren ze ook schijnbaar volgens hem helemaal vrij om te gaan waar ze wilde en om te hertrouwen.

Het leek erop dat dit weer een lang praatje ging worden en Hans en ik dwaalde dus af en toe af. We liepen een steile trap op waar wat mensen vandaan kwamen en kwamen bij een tempel en wat aaneengesloten binnenplaatsen uit met mooie grote oude bomen in de binnenplaatsen. Erg mooi allemaal. Voorbij de eerste tempel lagen nog meer gebouwen, maar duidelijk in slechtere staat, die moesten duidelijk nog ooit gerestaureerd worden.

De gids was weer in beweging gekomen dus we liepen de trap af (waar hij aan voorbij liep) en sloten weer aan bij de groep. Er werd nog een tempel voorbij gelopen waar ik even gauw de eerste trap op ben gelopen om van de mooie drakenpoort een paar foto’s te maken, en wat overzichten van het meer, voor we verder liepen langs het mooie meer.

We kwamen uit bij het volgende complex, schijnbaar de graf van de keizer zelf. Helaas was het gebouw zelf in de steigers en ingepakt in bouwzeil dus we zagen er helemaal niets van. Terwijl de gids praatte zwierven Hans en ik rond dit terrein; het bestond uit een serie plateaus met trappen ertussen, en bovenin in het midden het centrale gebouw van de graf zelf. Volgens de gids lag de keizer hier niet begraven, maar dat zal een vraag voor google worden, aangezien er op de plattegrond bij de ingang helemaal niets stond over of er controverse was waar de keizer werkelijk begraven lag.

Op het plateau het dichtstbij het centrale gebouw stonden aan beide kanten stenen wachters de graf te bewaken; aan iedere kant twee wijzen, twee krijgers en een paard en een olifant. Het was net als de graf van de Koreaanse keizer die we in Noord Korea bezocht hadden met zijn Mongoolse keizerin; ik zag aan de beelden dat de oudste wijze het dichtst bij het graf stond, en de jongste krijger het verst van het graf – volgens wat we toen in Noord Korea te horen kregen (deze gids wist er weinig zinnigs over te vertellen behalve dat ze zo klein waren omdat de keizer zelf maar 1,50 meter hoog was geweest), was dat op die manier de grootste kennis het dichtst bij de keizer zelf stond, en de sterktste krijgers het verst om hem zo optimaal mogelijk te kunnen verdedigen.

Het centrale gebouw moest volgens een tekening op het bouwzeil ongetwijfeld erg indrukwekkend zijn, maar we zagen er dus helaas helemaal niets van. We liepen om het centrale gebouw heen, en hebben nog even erachter staan kijken naar de omgeving – verderop lag weer een tempelcomplex of graf zo te zien – voor we rond 15 uur weer weggingen hier.

We liepen weer terug, duidelijk was de rondleiding al weer voorbij, maar we liepen wel langs een iets andere poort naar buiten. En deze wandeling bracht ons langs het mooie paviljoen aan het meer en langs de kronkelende vormen van het meer. Schijnbaar, volgens de plattegrond bij de ingang, was dit gehele complex tijdens het leven van de keizer zijn zomerverblijf om aan de drukte van het keizerlijke hof en de stad te ontsnappen – en toen hij overleed werd het dus zijn graf. Ook een paar van zijn nazaten hadden hier graven laten maken voor zichzelf volgens de plattegrond, duidelijk dus een plek waar je met een goede gids een hele dag kon doorbrengen!

Iets na 15 uur waren we bij de poort in de buitenwand en liepen we buitenlangs het terrein weer terug naar de voorkant waar de bus al gauw kwam voorrijden om ons op te halen. Terwijl we liepen zagen Hans en ik constructies die wezen op waterwerken om het water in de meren te controleren, vermoedelijk. Na een paar minuten zaten we in de bus en om 15:10 reden we weg voor de terugreis naar het schip. Dit graf was onverwacht mooi geweest, nog mooier dan de citadel, en jammer dat we eigenlijk minder tijd hadden gehad hier in dit grafcomplex. Maar dat is niet anders bij zo’n excursie, en het is iets dat we zeker in de gaten kunnen houden als we ooit naar een georganiseerde rondreis van Vietnam kijken!

We reden terug naar het schip, door het platteland met rijstvelden, karbouwen aan het herkauwen in het gras, de mooie begraafplaatsen, de garnalenkwekerijen, dorpjes en uiteindelijk begonnen we weer langs de eucalyptusolie-stokers te rijden, die nu aan het einde van de dag hun stokerijen aan het voorbereiden waren voor een nieuwe lading te stoken.

Om 16:30 verscheen ons schip in de verte, en 5 minuten later reden we het haventerrein op. Onderweg naar boven hebben we nog even een krantje opgehaald in het cafeetje – de loopplank was op dek 5 – en 16:45 waren we in onze hut, moe maar best tevreden over een mooie excursie in Vietnam.

We hebben ons omgekleed en een beetje gerust tot etenstijd, en voor we naar beneden gingen nog even op ons balkon gestaan kijkend naar het spiegelgladde water, een eilandje in de verte en de roze-oranje ondergaande zon en de paar bootjes en vrachtschepen op het water. Toen we door het atrium liepen onderweg naar het restaurant zagen we dat de loopplank net binnengehaald werd, en tijdens het eten om 18 uur voeren we weg.

Tijdens het eten deed de kapitein opeens met een ander accent en stem vertellen dat we aan het vertrekken waren en wat algemene informatie over de komende vaartocht. Dat gebeurde anders nooit bij vertrek! He, we hadden een nieuwe kapitein? Dan was nummer twee wel heel stilletjes vertrokken en deze even stil aan boord gekomen! De tweede kapitein was met veel tamtam en een Captain’s cocktail in Sydney aan boord gekomen en vanaf Darwin begonnen, en deze was dus ergens vandaag of misschien zelfs wel de laatste dagen heel stilletjes aan boord gekomen om het over te nemen. Heel apart, misschien was de tweede ziek geworden of zo?

Na het eten liepen we (via een detour via het casino vanwege een HEEL traag koppel voor ons in de gang) terug naar ons dek waar we nog even buiten hebben gestaan, kijkend naar de ontelbare lichtjes van de nachtvissersboten op zee. Later in onze hut hadden we zicht op een paar die redelijk dichtbij het schip waren en die ik op de foto kreeg.

free counters